Vette bonje en de realiteit

Chaos…en van de hak op de tak

Tijd om eens even te reflecteren, want ruzie in een relatie is soms weleens verfrissend, maar kan ook uit de klauwen lopen en helemaal wanneer een van de twee deelnemers nogal doof is voor de partner en in dit geval ben ik dus de dove partij en gisteren zeker stokdoof. Wat is er allemaal aan de hand wat dit vredige bestaan van ons doet wankelen? Nou, daar heb ik wel even een flink stuk papier voor nodig en dus is mijn advies om het hierna volgende maar eens even flink in perspectief te proberen te zien, want wat zijn de ingrediënten….?

Zien of niet zien, that’s the question.
De reden van onze onenigheid is er eentje van verschil van inzicht als het gaat over het naleven van principes. Over het feit dat je telkens maar weer in staat bent om met de de kennis van nu te moeten kunnen overleven. Wat een gezeik zul je denken, maar ook dat vraagt om heel veel uitleg. Laat ik beginnen met de mededeling dat wij hier bijna volmaakt gelukkig zijn in ons eigen paradijsje. Bijna, omdat er vaak teveel dingen van buiten onze poort zijn die je bijna óngelukkig zouden maken en dus lukt het steeds beter om daarvoor je ogen te sluiten en die toch blijven knagen. Dingen die ik graag zou zien veranderen maar waarvoor ik noch de kennis noch de macht over heb, want zoals de zaken in dit land hier nu gaan is een kwestie van jezelf aanpassen of je kont tegen de krib gooien. En vooral dat laatste is nu de inzet van onze ruzie. Een kwestie van keuze. Volg je je gevoel en wil je je recht halen of móet je domweg mee in het accepteren van de werkelijkheid die hier ten lande geldt.

Zwemmen

We gaan twee dagen geleden met vrienden naar het leukste zwembad in de regio en weten op die manier de 40º+ de baas te zijn. Wanneer ik heerlijk dollend als een jonge god door het water donderjaag is het ineens raak. Ik schrik me rot en wel omdat ik bemerk dat het zicht in mijn rechteroog ineens helemaal is verdwenen. Vriend Arjan merkt het gelukkig en pakt me bij mijn donder en sleept me mee naar de kant en ondersteund mij bij mij trapje. Aangekomen bij onze schaduwplek is het even flink nahijgen om de schrik weer de baas te worden. Na een minuut of tien rust met m’n kop onder een handdoek is het zicht weer helder en gaan we meteen op pad naar huis. Ja, we houden jullie op de hoogte zeggen we tegen onze vrienden, en weg zijn we.

Het voorafgaande

Omdat het aanpassen van een bril maar niet wil lukken en de opticien na drie gefabriceerde brillen de handdoek in de ring gooide kwam het aanbod om een oogarts in te schakelen. Die oogarts, een kopie van Wende Snijders, stal meteen ons hart. Ze was door de opticien ingelicht wat precies het probleem was en dus was er tijdens het eerste onderzoek een professor uit Boedapest overgekomen om haar bij te staan. Ze waren zo druk met dat linkeroog dat de aandacht die ik vroeg voor mijn rechteroog helemaal ondersneeuwde. Tot twee keer toe bleef dat een buiten beeld. Totdat ik haar drie dagen voor haar vakantie toch maar eens een overzicht mailde van wat er allemaal aan de hand was met dat réchteroog.

‘ Beste Krisztina, al een maand of twee en een half heb ik last van uitval van mijn zicht aan m’n rechteroog. Soms een klein stukje aan de onderkant, dan weer de zijkant en dan weer als een caleidoscoop, aan alle kanten een stukje.’ Diezelfde avond laat antwoord. ‘Beste Hans….als de donder beginnen aan een onderzoek van de rechter hals slagader, want anders gaat de operatie Augustus niet door’.

Míp..mijn zoekmachine


Bij het zoeken naar een ziekenhuis die een echografie van mijn hals kon maken kwamen we er snel achter dat de maandenlange wachttijd niet gelijke tred hield met onze agenda. Na lang wel of niet stonden we voor de balie van de zoveelste privékliniek. Ja, ze zijn er op alle gebied, die klinieken en deze was wel heel erg luxe. Een grote privéparking en de twee aantrekkelijk ogende juffen achter de balie waren wel heel erg gewaagd geüniformeerd….en drie minuten later lag ik reeds te bed in het schemerdonker. Nee, niet met die juffen, maar met een serieuze arts die aan de machine wel heel erg vreemde en klokkende geluiden wist te ontlokken. Die hartslag was zo hard te horen dat Míp op de achtergrond met opgetrokken wenkbrauwen meekeek. ‘Uw hart maakt op de tienduizend slagen achterhonderd slagen teveel, maar dat valt binnen de marge en dus géén probleem. Maar die ader is flink dichtgeslibd en daar moet u heel snel iets aan laten doen want anders wordt uw oog misschien wel permanent blind en erger nog, u zou ook een beroerte kunnen krijgen en zelfs een combinatie van beiden’.

Godverdegodver


In de auto terug was de stemming een weinig teneer geslagen en geloof me, dat is een understatement. Enigszins bijgekomen van de schrik produceerde Míp weer een van haar snelle en gevatte conclusies. “Nou, dat wordt dus uitwijken naar een privékliniek, ook al is dat duur. En onthoud één ding ….een aangepaste woning is stukken duurder, lieverd’. Toch probeerde zij eerst nog het “gewone” ziekenhuis en na enige tijd was er contact met een assistente van de arts. 13 dember. Wat? 13 december? Maar dat is veel te laat. Hij heeft nu hulp nodig! Toen kwam er een riedel van niet mis te verstane Hongaarse woorden. De laatste woorden waren: urgentieverklaring van je huisarts. Toen klonk er piep piep, omdat de assistente de telefoon er woest opgedonderd had. Dat was dus de dag voordat we gingen zwemmen en dat het donker werd voor mijn ene oog. De spanning bleef in de lucht hangen en de vraag was dus ‘wat te doen’. We hadden net opdracht gegeven om airco te laten installeren en om de meerkosten aan energie te dekken met ook nog eens het laten installeren van zonnepanelen. Ja, die kosten zouden we met wat bezuinigen in de komende jaren best kunnen dekken, maar dan toch…een privékliniek…dat is het erkennen dat er twee samenlevingen bestaan, want de grote meerderheid van de Hongaren die kan dit wel op hun buik schrijven.

Dit vraagt om uitleg.
Al jarenlang luisterde de kliek van onze hoofdkabouter niet naar de geluiden van onvrede uit de gezondheidszorg. Om het juiste woord te vinden zou ik het willen houden bij uitkleden en dat terwijl de leden van de regering en hun vriendenschare zich meer en meer verrijkten door corrupte bezigheden. De rest van Europa rook haar kans en het is al meer dan tien jaar geleden dat scouts door de gangen van ziekenhuizen snorden om zichtbaar herkenbare artsen op hun schouder te tikken en de vraag te stellen ‘Do you speak English?’ of Sprechen Sie Deutsch?’ Als op een van de twee beamend werd gereageerd dan was de volgende vraag ‘Wilt u tien keer zoveel verdienen”. Begrijpelijk dat er in de afgelopen jaren alleen al meer dan 4.000 artsen en specialisten het land verlieten. Maar hoe dan verder als je nog steeds dat medisch personeel niet meer wenste te betalen.

Het werd een gedogend compromis. De nog resterende artsen en specialisten werd toegestaan om met collega’s een privékliniek op te zette, op voorwaarde dat zij van ’s morgens 06.00 uur tot 13.00 voor het ziekenhuis te werken om daarna naar hun eigen stek te gaan om dat tekort aan salaris bij te verdienen. Reden waarom je, als je het woord Magámklinika intikt op Google ( privéziekenhuis) bijna 700.000 treffers vind.

Terug na het zwemmen


Míp zoekt zich te pletter, googelend om een ziekenhuis te vinden waar men in staat is om snel hulp te bieden voor mijn ‘probleempje’. Het is rond een uur of half zeven wanneer ik een overzicht van de ziekenhuizen in en rond Pécs bekijk. Ineens zie ik dat ook de Universiteit een heel eigen ziekenhuis heeft…eigenlijk nooit bij stilgestaan. Ik bel en na drie keer doorverbinden verzoek om een Engels sprekende arts. Ik leg uit wat er allemaal gebeurde tijdens het zwemmen en het is heel even stil. Dan volgt de reactie…’Bel een ambulance en kom snel hierheen, we verwachten je….wees snel’

Binnen een kwartier is de veranda een Covid testcenter en word ik ondersteund naar de ziekenwagen geholpen. Tussen neus en lippen door krijg ik nog de mededeling dat we niét naar Pécs gaan maar in plaats daarvan naar Szigetvár, dus niet de dertig kilometer oost, maar west. Ik maak nog duidelijk dat de arts in Pécs klaar staat om mij te ontvangen, maar daar wordt slechts schouderophalend op gereageerd. In het ziekenhuis aangekomen wordt ik op een stoel geplaatst en gaan de ambulanciers naar de balie. Ik zie ze babbelen met een in het groen geklede regelaar die kennelijk hoofd van de receptie is. Ik zie wel minstens twintig wachtenden die de tijd doden met…..wachten. Ik word snel naar de onderzoekskamer gebracht en daar zie ik net de arts een laatste stuk van zijn bezorgde pizza naar binnenwerken. Hij doet mij de band om mijn arm en checkend mijn bloeddruk. Vervolgens zegt hij de volgende dag terug naar de huisarts en vervolgens naar de Universiteitskliniek. Ik kijk hem ongelovig aan en vraag of dit een geintje is. ‘Nee. U kunt gaan.’ Ik word heel erg kwaad en zeg ‘Verdomme, het is negen uur . Kunt u een taxi bellen?’ maar blijkt dat Szigetvár inmiddels geen taxibedrijf meer heeft en hij voegt me ook nog toe dat de ambulance geen taxidienst is en dat ik dan maar met de bus naar huis moet zien te komen. Hoe bedoel je…levensbedreigend? En wat betreft je eed van Hippocrates of is die niet geldig meer, meneer de dokter?
De schuifdeuren worden van afstand geopend en daar sta ik dan…op een totaal verlaten parkeerplaats, moederziel alleen. Míp slaakt een zucht van ongeloof en begint bijna te huilen….wat een klootzakken daar. Zij kan me niet komen halen, want door haar nachtblinde ogen is zij een gevaar voor haar omgeving en voor haarzelf op de weg. Buurman Feri heeft zij bereid gevonden om met onze auto mij op te halen en ruim een uur later ben ik thuis.

Slot van deze nachtmerrie

Die avond kunnen we beiden niet veel anders dan zuchten en elkaar aankijken met een blik van ‘nietwaar, toch?’ Later die avond komt zij met het voorstel om dan maar meteen naar de Da Vinci te gaan, een van de betere privé ziekenhuizen in de regio. Ik ben duidelijk….’Nee…er stond een arts op me te wachten en die ratten…..’ De volgende ochtend doet M anderhalf uur pogingen door het pantser van de ziekenhuiscentrale te komen en omdat op geen enkele manier lukt geeft ze het op. Ze wordt weggedrukt, ze gaat discussies aan en laat zich de kaas niet van het brood eten, maar…ze verdommen het gewoonweg en hebben schijt aan de gezondheid van de patiënten. Ik heb mijn ervaring ook nog contact met Tamás in Budapest. Hij werkt voor een mensenrechtenorganisatie en door onze contacten rondom de hele CBD-affaire zijn we inmiddels ook bevriend geraakt. Hij vertelt dat hij door de jaren ook te maken had met patiëntenrechten met inmiddels tal van vergelijkbare situaties. Maar, zo zegt ook hij, nu maar even voor jezelf kiezen, Hans. Ga naar een Magámklinika en laat je helpen. Ik loop er over te piekeren dat Míp gelijk heeft, maar toch…okay dan moet dat maar. Ik kom naar de veranda waar ik Míp in gesprek hoor met Bogi, onze lieve vriendin en ook mijn pilatesleraar. Ik moet schreeuwen om haar te onderbreken….ja, Bogi, ik ga naar een Magám….en ja, Míp heeft helemaal gelijk en ja, ik houd van haar en zal naar haar luisteren. Maandag gaat die toko weer om acht uur open en zal ik moeten toegeven aan het feit dat de maatschappij hier nog verdeelder is dan waar dan ook….welk een vreselijk toekomstbeeld.

De tip. En de sluier natuurlijk.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen

Wat was de zomer van 2021 heerlijk! Vooral omdat het weer tegenwoordig zo onvoorspelbaar is. We leven met de natuur en proberen haar te plezieren met onze wilde bloemen en ongerepte groei door de tuin heen, zodat bijen en vlinders (en andere vele insecten) tussen de akkers door een kleine oase kunnen vinden om er lustig op los te bevruchten. En misschien wel daardoor, maar zeker weten doe ik dat natuurlijk niet, ging die alles vernielende helse hagelbui aan onze tuin voorbij. Nou ja, eigenlijk ging de bui onze hele dorp voorbij, op een paar miezerige, misschien ter grote van een ei van de kolibrivogel,, hagelstenen na dan. Dat beseften we pas de volgende dag. Binnenkomend in het volgende dorp zagen we zonnepanelen met enorme gaten en sterren erin. Daken met gapende openingen, auto’s alsof ze door een rubberen kogelregen waren getroffen en nog veel meer leed veroorzaakt door hagelstenen ter grootte van golfballen. Weer een stuk verderop zagen we zo ver onze ogen reikten velden met maisplanten die er bijstonden alsof er een hele volksstam koppensnellers voorbij was gekomen. Gekraakt, afgebroken of afgescheurd. De hele oogst in een paar minuten naar de filistijnen. Zo niet onze hennep. Die stonden nog fier overeind. Dat was in juli.

In agustus kregen we eindelijk weer bezoek. Ron en Arwen reisden vanaf Frankrijk naar Hongarije om een korte vakantie te houden. Hoewel vakantie, dat is in hun geval klussen aanpakken waar wij alweer een tijdje overheen hadden gekeken. We waren druk met het kappen van de manlijke planten. Mannelijke planten brengen de vrouwelijke in verwarrring. Buiten dat geven ”de mannen” amper cbd af, dus minder interessant voor gebruik. Sorry mannen, de dames zijn in dit geval vele malen belangrijker met hun mooie volle toppen en hun veel grotere bladeren.

September was de oogstmaand. Bert en Esther hadden hun vakantie zo gepland dat zij tijdens de oogst bij ons op het land zouden zijn. Dat was maar goed ook, want achteraf zou ik niet hebben geweten hoe wij samen al die “helpende handen monden” hadden moet voeden. Elke dag kwam er weer een nieuwe groep van vrienden om te helpen met het knippen van al die mooie toppen en bladeren en werden alle laatste nieuwtjes uitgewisseld. Maar ook werden er nieuwe vriendschappen gesloten tussen mensen die elkaar nog nooit hadden ontmoet. Wel moet ik erbij zeggen dat 95% van de helpende handen cbd-gebruikers zijn. Het bekende mes en de twee kanten. Wij hadden de oogst binnen en zij waren er zeker van dat er nieuwe voorraden gemaakt konden worden. Na twee weken zat de oogst erop en was het alleen nog een kwestie van goed laten drogen en daarna te verpakken in zakken. We maakten ons op voor een prachtige fietstocht naar Bence, de jongen die veel te vroeg gestorven is. Maar daarover later meer.

Wij doen niets aan reclame en onze nieuwe klanten komen veelal via mensen die goede ervaring hebben met ons product. Heel groot is de kring van klanten niet en dat willen we ook graag zo houden. A. is onze productie daar niet groot genoeg voor en B. we moeten het wel kunnen handelen met z’n tweeën. Meestal bedienen we onze klanten op aanvraag en soms, heel soms is er een hele kleine voorraad. Lekker overzichtelijk dus. En zo verliep ook oktober en zo verliep ook november. December verliep anders, net als januari van dit jaar trouwens.

Het was eind november toen wij per email een brief van de boekhouder kregen. Het was een brief die vertelde dat de warenwet controle kwam doen. Geen punt, alles op orde. Om vreemde redenen had ik ze eigenlijk al eerder verwacht, maar nu kwamen ze dan toch op 2 december. Wel vond ik het, en vind ik het nog steeds, vreemd dat wij die brief niet thuis hadden gekregen. De aangekondigde tijd was 10 uur. Om kwart voor tien kregen we een emailbericht van diezelfde instantie. Goh, lekker op tijd dachten wij tegelijkertijd. Maar toen het eenmaal kwart voor elf werd en wij nog niemand hadden zien verschijnen lazen we toch de email weer opnieuw. Nu zagen we het. Er was een nieuwe datum toegevoegd, maar de oude was niet weggehaald. Na een kort telefoontje was er duidelijkheid, ze kwamen niet nu, maar wel morgen.

Het was die dag van 3 december koud, somber en regenachtig. Klokslag tien uur klonk er een luide stem over de poort. ”IS DIT HAPPY PLANT?” Jawel riepen wij, kom maar verder. De voorste vrouw had een ijzige houding die ik niet helemaal begreep. Achter haar een jongere vrouw die het sjouwwerk moest doen in de vorm van computers en draagbare printers naar later bleek. Ook zij was ijzig. Gelukkig hadden we de kachel lekker warm gestookt dus konden ze binnen mooi ontdooien. Nee, ze wilden geen koffie. En nee, ze wilden geen water. Eenmaal aan tafel kwam er een waterval aan vragen en niet één van die vragen werd aardig gesteld. Er bekroop mij iets van onsympathie naar deze dames. Nu weet ik wel als instanties eenmaal gaan spitten dat ze altijd iets zullen vinden waarvoor ze een bestraffing kunnen geven. Ik overhandigde haar alles waar ze om vroeg, zodat ze haar onderzoek zonder al teveel haperingen kon doen. De stapel papieren waarmee onze kft tot leven was gebracht werd doorgespit en gefotografeerd. De lange nepnagels van de secretaresse tikten irritant hard op het toetsenbord. Achter mij hoorde ik eerste een zachte bries en daarna een harde bries net voordat hij vol woede zijn woorden de kant van de dames op brieste. Hans deed zijn verhaal, de dames keken hem aan en gingen weer verder waar ze mee bezig waren. De sfeer werd er niet warmer op. Zelf was ik meer verbaasd waarom dit allemaal op zo’n vijandelijke toon moest. Aha, daar was het, het iets wat ze vonden dat er niet was. Laboratoriumonderzoek het missende stuk tussen die stapel papieren. Ik stelde voor om het voor haar te halen maar vertelde wel dat het in het Nederlands was. ”Dat mag niet, dat moet in het Hongaars!” Maar, wierp ik haar tegen, er is in hele omgeving geen lab dat de ollie kon testen, dus hebben we het met goed resultaat naar Nederland gestuurd. Het eerste vinkje van bestraffing was een feit. We moesten maar gewoon goed gaan zoeken, dan vonden we vanzelf wat. En nee, in Pécs en omgeving waren er geen labs die dit konden onderzoeken, dat wist zij ook. Ze stond op en maakte duidelijk dat zij de buitenruimte wilde zien.

Buiten was het nat en modderig. Ze gleden hun weg naar de moestuin. Ze keek naar de zwarte worteldoeken waarmee de moestuin in de winter afgedekt wordt. ”Dus hieronder groeit nu de hennep?” Hennep? Hennep? riepen wij in koor. Maar mevrouw, hennep is een zomerras, dat groeit niet in de winter. Hennep wordt in augustus/september geoogst. Ze haalde haar schouders op, maakte nog wat foto’s van het zwarte worteldoek en beende weg de tuin uit. Waar we onze hennep dan droogde? (Dit naar aanleiding van mijn uitleg hoe het maken van cbd in zijn werk gaat. Ze had geen idee). Hans opende de garagedeur en opende de deur naar de droogruimte. Daar stonden onze fietsen, een ventilator en een kleine shredder voor het nodige takkenwerk. Ze maakte er foto’s van. “Zo, dus hier drogen jullie je wiet!” Wiet? Wiet? Nee mevrouw, hier drogen wij onze hennep, heel gewone hennep. Ze haalde haar schouders op en zei zoiets als ”What’s in a name”. Wel vond ze het vreemd dat er fietsen en dergelijke stonden. Bij de uitleg dat wij deze ruimte maar zes weken per jaar gebruiken boog ze haar hoofd. Ze was het er niet mee eens. Vinkje twee van de bestraffing zat in de pen, maar die bleef vreemd genoeg toch achterwege. Misschien dat er ineens iets menselijks in haar neerdaalde en dat ze bedacht hoe zij dat thuis zou oplossen. Zoiets denk ik. Bij het verder uitwerken van het verslag kwam naar boven dat we een speciale losstaande keuken, dus los van het huis, zouden moeten bouwen, omdat de nieuwe wet dat bepaald. Daar kwam vinkje twee toch wel snel om de hoek. Het bezoek eindigde met veel stempels en stapels handtekeningen. En de vraag wat onze oplossing voor dit probleem was. Ik vertelde haar dat wij dit nog niet wisten, omdat wij pas 2 minuten geleden op de hoogte waren gebracht van dit probleem. Bij het weggaan keek ze me strak aan: ”Je mag de planten laten groeien, je mag cbd maken, je mag het gebruiken, je mag het cadeau doen, maar je mag het niet verkopen. Heb je begrepen wat ik zei?” Ze herhaalde het nog eens bij de poort. Wij knikten en zeiden dat we het begrepen hadden en dat we zouden zorgen dat alles in orde zou worden gemaakt. De vraag was alleen wanneer. Het was winter, de feestdagen kwamen er aan en geen aannemer die nu nog iets zou kunnen bouwen. De zoektocht naar een lab zouden we doorzetten. De temperatuur in huis was weer aangenaam.

Het eerste gesprek tussen Hans en mij ging die 3e december over de advocaat, die alles geregeld had, alle papier op orde had gemaakt en had geschreven ”jullie kunnen van start. Alles is legaal.”

We hadden contact met de boekhouder. We stuurden hem het verslag door en hij begreep, net als wij, helemaal niets van deze situatie.

Op 12 december gaven wij onze boekhouding af. Ondertussen had Hans contact met Tamás, de jurist van de mensenrechtenorganisatie in Budapest en zeer goed ingevoerd in de wereld van cannabis sativa, zoals de hennep in het Latijn wordt genoemd. Tamás had het over nieuwe wetten van de EU en dat die in Hongarije tot in het extreme worden doorgevoerd. Wij begonnen het een beetje te begrijpen, omdat er een enorme wildgroei is in cbd-land. Water, koffie, koekjes, kauwgom, gummi beertjes en zovele artikelen meer waarin het extract verwerkt wordt. Meestal in heel kleine hoeveelheden en meestal ook een dubbel of meer prijskaartje. Daar wil de EU een einde aan maken en die wet schijnt in september 2021 in werking te zijn gegaan. Mocht cbd eerst de naam voedselsupplement gebruiken, vanaf die datum valt het onder ”novel food”, nieuw voedsel. Een vergunning daarvoor kost duizenden euro’s per artikel. We gaven dus onze boekhouding af met als teken dat wij de hele zaak zouden laten gaan. Stoppen en alleen nog voor eigen gebruik. De boekhouder keek sip, we zijn nogal aan elkaar gehecht, vandaar. Maar hij keek ook sip omdat er iets naar boven was komen drijven. ”Jullie zijn anoniem aangegeven.” Wat? “Iemand probeert jullie te stoppen en dat gaat nu lukken.” Dat waren precies de woorden die we nodig hadden om onze afhangende schouders weer fier rechtop te krijgen. De vraag blijft alleen staan, wat heeft diegene anoniem aangegeven?

Na die 12e december maakten we nieuwe plannen en dat voelde fijn. Ondertussen werd de boekhouder overstelpt met vragen van allerlei instanties die ingevuld moesten worden. Hij had er bijkans een dagtaak aan. Maar hij deed het met liefde, dat voelde fijn.

Op donderdag 7 januari van dit jaar stuurden we een email naar de boekhouder met daarin de uiteenzetting van onze plannen. Of hij er even naar wilde kijken en ons misschien nog wat suggesties kon doen. Er kwam geen antwoord. Niets voor hem, veel te correct. Vrijdagmorgen vroeg belde we het kantoor en Ákos de zoon nam op. Ook al zo’n schat van een man, net als zijn vader. De stem van Ákos trilde en er klonk paniek in door. Zijn vader was de dag daarvoor met gillende sirenes afgevoerd naar het ziekenhuis waar hij nu in coma werd gehouden. Corona. En nee, niet gevaccineerd. Nu is dat niet aan mij om daar over te oordelen en ik weet al helemaal de reden niet. Maar het feit is wel dat hij aan de zijden draden van een ic voor zijn leven lag te vechten terwijl wij een paar prangende vragen hadden. Ákos, werkzaam bij het kantoor van zijn vader, beloofde ons zo snel mogelijk te reageren. Arme Ákos, bang en onzeker over de naderende dood van zijn vader die dan ook alle klanten ineens over moet nemen en daarbij komen dan ook nog wij met vragen die prangend zijn.

Woensdag 12 januari. Het was een koude nacht geweest, zo rond -9. Maar de zon scheen en dat maakt zo’n winterse dag dan altijd weer lekker. We namen ontbijt, lazen de krant en maakten plannen voor de dag. Het was half negen toen er een witte auto voor de deur stopte. Niets belangrijks natuurlijk, maar alle drie de honden slaan altijd aan als er iets in de buurt stopt dus kijk je vanzelf naar buiten. Maar de honden waren niet te stoppen. Vooral Sissi gluurde furieus door het hek met opstaande nekharen. Nog een witte auto. Goh, zeker in de aanbieding zeiden we tegen elkaar. Toen nog twee. Het werd druk voor de deur. Die mensen stapten ook uit, schudde elkaar de hand en hadden gesprekken met elkaar. Toen er een politieauto stopte kreeg Hans het bijkans aan zijn hart. We hebben nogal slechte ervaringen met politie in auto’s die voor de deur stoppen. Maar hij parkeerde aan de overkant. Toen arriveerde er ook nog een zwarte auto en de honden waren nu in staat om bijkans door de poort heen te breken. De groep verzamelde zich, een vrouw voorop. De politie bleef in de warme auto zitten. Het was ondertussen kwart voor negen, zonnig, -5 met een ijskoude wind. Godverdomme Hans! Ze komen hier het tuinpad op! In alle rust (aan de buitenkant natuurlijk, want van binnen donderde het) liep ik naar het hek, nadat we de honden eerst hadden opgesloten hoewel ik de behoefte had om ze gewoon los te laten. Geen Hongaar geboren die dan naar binnen durft te komen. Maar goed, we gingen natuurlijk niet de rechtsgang, of wat daar voor door moet gaan, belemmeren. De vrouw toonde een legitimatie bewijs en haar gevolg knikte genoeglijk mee. Nu hadden we de dames van de warenwet gewoon in het Hongaars ontvangen maar acht vrouwen en een man tegelijk dat ging me toch wel een beetje ver. We moeten Balázs bellen, we hebben een tolk nodig! De vrouw begon met een rits vragen. Ik keek haar aan met ogen die bijna uit mijn kassen donderde. ”Is er iemand van deze groep die Engels spreekt?” riep ik hardop uit. De enige man in het gezelschap stapte naar voren. Hij zou onze tolk zijn deze morgen, daar waar het nodig was. We noemen hem vanaf nu De Tolk. Naast hem stond een vrouw met een lief gezicht, half lang haar en een prettige bril. Ook zij sprak Engels en vanaf nu noemen we haar De Deense. De Tolk legde uit dat ze voor onderzoek kwamen, drie verschillende autoriteiten en vier politie beambten. Dit vanwege de anonieme tipgever, net als het vorige onderzoek. In de groep herkende ik ineens de dame die zich als een ijskast had opgesteld in ons huis. Op de vraag of wij vanaf 3 december niets meer hadden verkocht gaf ik als antwoord: natuurlijk niet, die dame daar heeft ons gezegd dat het niet mocht, maar dat we het wel cadeau mochten geven. Ze hief haar hoofd op. Keek mij recht in het gezicht en schreeuwde bijkans dat ze dat helemaal niet gezegd had. Het schoot mij nu te binnen dat zij helemaal niet voor controle was gekomen, maar voor een onderzoek naar illegale praktijken. Toen overviel mij een soort misselijkheid, omdat er beelden in mijn hoofd opdoemden uit de prachtige maar beknellende politie thriller uit 2006. Das Leben der Anderen, waarin in het voormalige Oost Duitsland verlinking en verraad centraal stonden. Nu stonden we hier, bijkans met de rug tegen de muur ten overstaan van 9 lui die ons bloed al roken aangestuurd door een één of andere debiel (sorry voor de debiel, die kan er niets aan doen) die hen anoniem had getipt. Maar wij stonden in de zon en zij in de schaduw bij -5. In mijn woede vergat ik weer te vragen wat die tip dan was geweest. Die vraag was voor dat moment ook even niet relevant. Want een agente vroeg mij naar de zakken hennep die ik de vorige keer aan de ijskast getoond had. Ik liep naar binnen, haalde de zakken en overhandigde die aan de agente. Ze opende haar koffer, haalde er een plastic ding met vloeistof uit, sneed de hennepzak open, haalde er een pluk hennep uit, deed die bij de vloeistof en schudde alles flink door elkaar. Jezus Christus Hans! Ze zoeken drugs! De Deense zocht oogcontact, rustig blijven zei ze. Er gaat jullie niets gebeuren. De Tolk nam Hans terzijde die ondertussen de stoom uit zijn oren had. Theater, het is allemaal theater sprak hij. Terwijl we stonden te trillen van de kou en van woede kon ik Hans na herhaalde ”doe nou rustig, hier schiet je niets mee op” niet meer in bedwang houden. Alsof hij los brak uit een dwangbuis maakte hij zichzelf nog groter dan hij al is, rechtte zijn schouders en bulderde zijn relaas. Maar de club was te druk met zichzelf en wilde niet luisteren. De Tolk greep in en vroeg iedereen toch maar even te luisteren. Hij sprak op een toon die eerbied vroeg. Hans bulderde als het ware zijn relaas, eerst over zijn eigen twee kankers en daarna wat onze klantenkring zoal inhield. Parkinson, epilepsy, ms, mensen met kanker met chemo- en bestralingsklachten, depressie, reuma, zware artrose, stress, slapeloosheid en niet dat wij zeggen dat deze mensen allemaal beter worden, maar ze voelen zich in ieder geval wel beter. Ja, sprak De Tolk, mijn schoonmoeder heeft kanker en die gebruikt ook cbd. Ze voelt zich er goed bij. De groep stond met open mond en je voelde dat dit niet was waar ze voor kwamen.

Ondertussen was de drugtest klaar. Iemand vroeg naar het resultaat, de agente schudde het hoofd, een zeer zeer laag gehalte. 0,002 thc sprak ik. Misschien nog minder zei de agente. De groep reageerde of ze ook voor dit resultaat niet waren gekomen. Het onderzoek moest door. Mijn vraag waarom ze eigenlijk met zoveel waren werd beantwoord met de woorden: dat had je kunnen weten, want we hebben jullie boekhouder een brief gestuurd. Wanneer dan, was mijn vraag. Op 7 januari was het antwoord. En toen kwam er een verhaal waarvan ik begrijp dat zij ons niet geloofden. Zo zagen ze er bijna allemaal uit, dat ze ons niet geloofden. Wat een onzinnig flutverhaal. ”Onze boekhouder ligt in het ziekenhuis, hij ligt in coma. Vanwege corona. Die heeft ons nooit kunnen waarschuwen”. Om hen te overtuigen belde ik het nummer van Ákos. De vrouw die de leiding had wilde eerst niet met Ákos praten, omdat hij niet zijn vader was. Godallemachtig, hoe ver moet dit gaan Hans? Maar ze luisterde toch en nam de woorden van Ákos nu wel serieus dat zijn vader met grote levensbedreiging op de ic lag. Ondertussen kwam de ene na de andere autoriteit met vragen. Ik rende af en aan met papieren, hennepzaden met aangenaaid goedkeuringscertificaat, nog meer papieren, een flesje cbdolie en daarna nog meer documenten die van belang zijn om legaal te werken. De enige om wie ik mij nog werkelijk druk maakte was Hans. Ik zag het aan zijn houding en ik voelde aan mijn water dat hij zich door mij en zeker niet door anderen tegen zou laten houden. Hij had gelijk, dat zeker. Alleen zou ik dat anders oplossen en daarin zijn wij zeker niet dezelfde.

Toen kwam de vraag hoeveel hectare hennep wij verbouwden. Dan wordt het toch tijd om verschrikkelijk in de lach te schieten. Hectare? Vierkante meter zullen jullie bedoelen. Ik liep voorop met De Deense, die mij vertelde dat zij zeven jaar in Denemarken had gewoond. Oh, maar dat is cbd-land bij uitstek! riep ik uit. Ze lachte, ja daar wist ze alles van en vertelde dat de gemiddelde Deen zelf bijna overal hennep in verwerkt. Zelf vond ze de canabiskoekjes heerlijk. We lachten erom en dat schiep nog meer een band. Achter ons liep Hans met De Tolk die maar bleef herhalen dat we in een theatervoorstelling zaten en dat dit onderzoek nergens toe zou leiden. Vooralsnog vonden wij dat moeilijk te geloven. Toen het hele gevolg in ganzenpas naar de moestuin liep werden we ingehaald door onze drie honden. Hans, de pestkop, had ze losgelaten en zodoende kon het gebeuren dat Bence iedereen, stuk voor stuk, bang of niet bang, een flinke lebberzoen kon geven, zijn zwarte pootafdruk op kleren kon achterlaten en vervolgens toch in de armen werd gesloten. Bij de moestuin. Tja, nog steeds worteldoek. Met oog op de afmetingen waarop wij onze hennep verbouwen. Dat was niet veel. Nee, dat was niet veel maar wel genoeg om ons en onze klanten te voorzien van genoeg cbd. En daar gaat het om. Ondertussen ging ik steeds meer lijken op De spree met voeten van Annie MG Smidt, trillend als een espenblad. Ik had het zo verschrikkelijk koud met mijn (vreselijke) crocks en mijn veel te dunne hondenjas. Hoewel, iedereen had het koud maar daar bekommerde ik mij niet om. Zij waren voorbereid, Hans en ik niet. Ik liep naar huis voor een plas en bij terugkomst op de veranda hoorde ik Hans’ stem bij de moestuin galmen. Hij had zijn kans gepakt toen hij mij weg zeg lopen. Wat hij allemaal gezegd heeft weet ik niet precies, bij aankomst hoorde ik hem nog bulderen: dit is geen hobby! dit is een passie! En ja, toen waren ze allemaal toch weer even stil.

Rond elf uur verzamelden zij zich voor overleg. Op straat, naast hun eigen auto. Papieren op de motorkap die ingevuld moesten worden. Verslagen van autoriteiten en politie. Het was nog steeds -5. De twee agenten zaten nog steeds te wachten in hun warme auto. En dat bracht mij tussendoor toch op de volgende vraag: waar zijn die agenten voor? Welnu, voor het geval er toch drugs waren gevonden konden we direct in de handboeien geslagen en afgevoerd worden naar de dichtst bijzijnde gevangenis. Welnu, beste anonieme tipgever, hieronder speciaal voor u een tip van de sluier.

Om kwart over elf waren alle rapporten opgemaakt. De conclusie werd vertaald door De Tolk die ons met een grijns aankeek: er is niets gevonden waaraan jullie je volgens de tip (ik word toch steeds nieuwsgieriger wat die tip geweest is) schuldig hebben gemaakt. Er is niets dat jullie fout hebben gedaan. Er volgt geen straf en het dossier is hierbij gesloten. Bij het afscheid kregen we van bijna allemaal een zogenaamd ”lucht boks”, hand in de lucht knokkels tegen elkaar aan. Behalve de ijskast dan, die zat al in de auto.

Alleen nog even een lab vinden en de toko kan weer draaien. En heel eerlijk, door de wetswijziging hadden wij op een dag toch ook bezoek gekregen, omdat we niet aan de gewijzigde voorwaarden voldeden. Maar dan zou het waarschijnlijk wel in kleiner comité gebeurd zijn. De Tolk vertelde dat de mogelijkheden groot zijn om door te gaan en dat hoopte hij dan ook voor ons. En misschien ook wel een beetje voor zichzelf.

Míp

Chinees

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Het virus. Eigenlijk wil ik het daar helemaal niet over hebben. De krant, televisie, radio en het internet voorzien mij elke dag van nieuws, dat ik niet meer ervaar als nieuws. Tot het moment dat ik bedacht dat we de juiste keuze hadden gemaakt en het nieuws van deze week het antwoord had gegeven op mijn gedachten.

Het was ergens in februari toen mijn telefoon rinkelde. Het was de Gyöngyi, de assistente van onze huisarts. Haar stem klonk opgewekt. Misschien wel omdat ik haar al een paar keer had gebeld met die prangende vraag: wanneer zijn wij aan de beurt? “Morgen kunnen jullie komen voor de vaccinatie”. Op mijn vraag welke soort sprak zij het woord “Chinees” luid en duidelijk uit. Ik raakte even verward. Chinees, Chinees, daar waren de berichten nog niet helemaal helder over en die was ook zeker nog niet goedgekeurd.

De hersenen maakten plots overuren. Vaccinatiepaspoort alleen geldig met goedgekeurde vaccins. Wat zou dat inhouden? Welnu, nooit meer een bewaakte landsgrens over, dat sowieso. Of met het vliegtuig even naar Nederland vliegen. Het zou een enorme beperking worden van onze vrijheid in keuzes maken. En dan heb ik het nog niet eens over waar je wel en niet naar binnen zou mogen. Hoewel die overdenking best vroeg was want alles, buiten de supermarkten, was gesloten. Vreemd dat je bij het woord “Chinees” ineens veel meer aan de toekomt gaat denken en aan je vrjheid natuurlijk. Mijn overdenkingen werden verstoord door een alweer rinkelende telefoon. De huisarts zelf. De “Chinees” was niet bestemd voor Hans’ leeftijdsgroep. Die groep was ingedeeld bij Pfeizer. Omdat zij mijn negatieve gedachtengang had onderbroken maakte ik gelijk van de gelegenheid gebruik om te vertellen dat ook ik niet de “Chinees” wilde. Zonder tegen te stribbelen vertelde ze dat dit in orde was, maar dat ik dan wel langer moest wachten. Dat was natuurlijk geen probleem. Liever wachten dan een niet erkende goed onderzochte vaccinatie.

Dat was dus in februari, toen een mens nog keuzes kon en mocht maken welke stof er in je lichaam gespoten zou worden.

Op 19 maart reden wij richting Szigetvár met in onze tassen een stapel ingevulde formulieren en natuurlijk allerlei pasjes die bewijzen dat wij bestaansrecht hebben in dit land. Een aardige ontvangst bij een lange tafel vol jonge mensen. We gaven onze papieren af. De jongeman keek nog eens goed naar Hans’ papieren. Niet helemaal goed ingevuld door omstandigheden. Het vorige formulier, dat niet meer geldig was, had de vraag precies omgekeerd en Hans had dat klakkeloos overgenomen. Daar waar nee stond, stond ja en daar waar ja stond, stond nee. Hij had alle ziektes en medicatie met “ja” aangekruisd. Geen probleem, de jongeman nam de lijst nog even door met Hans en bleef achter met een vraagteken. “Maar meneer, heeft u dan geen enkele ziekte? Nee, sprak Hans monter. En u gebruikt ook helemaal geen medicijnen? Nee, sprak Hans nog monterder. De jongeman vond het een wonder, dat was duidelijk. Bij mijn papieren schudde hij lachend het hoofd. Twee gezonde mensen van zekere leeftijd, het leek hem een zeldzaamheid.

Om 13.00 uur de afspraak, om 13.01 alweer klaar. Hoewel we wel een half uur in de wachtruimte vol geprikte mensen moesten verblijven. Sommige hielden hun arm vast en trokken een pijnlijk gezicht, terwijl ik de “prikvrouw” had gevraagd of ze wel zeker wist dat die naald erin was gegaan. Helemaal niets van gevoeld. Om 13.30 liepen we buiten met een tweede afspraak in de hand. 23 april is het zover, we kunnen niet wachten!!

Tussen ergens in februari en ergens in maart is er een verandering geslopen in het beleid. De “Chinees” werd steeds meer aangeboden en een keuze was er niet. Prikken of stikken werd de stelregel. Sommigen stroopten meteen de mouw op om de naald vrijbaan te geven. Anderen weigerden en hamerden op een andere vaccinatie die dan uiteindelijk wel schoorvoetend voorgeschreven werd. Soms werd dat de “Sputnik” en soms zelfs gewoon Pfeizer. Ja, onze regering was héél trots op hun vaccinatiebeleid, omdat zij ondanks het EU-beleid toch gewoon de “Rus” en de “Chinees” hadden binnengehaald en daardoor in record tempo mensen konden vaccineren.

U las het al goed, de woorden: onze regering was héél trots. Dus in de verleden tijd. Begin deze week begon de stroom informatie via alle kanalen binnen te sijpelen. De “Chinees” is niet oké. De “Chinees” voldoet niet aan de normen, bijna geen enkele. Hoe dit opgelost gaat worden is nog de vraag, maar onze regering heeft stilzwijgend de “Chinees” deels uit het pakket geschrapt zonder opgaaf van redenenen. Maar ook zonder opgaaf van oplossingen. Soms is het gewoon goed om je gevoel te volgen. In deze tijd zeker.

Míp

Kakmadam.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Ik ging nog maar eens op zoek naar de ware betekenis van dit woord. Nou ja, schelwoord. In het Vlaams vond ik: fiere, betutte, sjieke dame. Schetkont wat dan weer staat voor verwaand en profkont. In de Van Dale vond ik de omschrijving: Vrouw die deftig doet en verder las ik nog: Bekakt en verwaand vrouwspersoon. Bij Wikiwoordenboek vond: Opgedirkte vrouw en bij Encyclo.nl vond ik de Amsterdame uitvoering: vrouw met kapsones.

Bij geen van deze woorden vond ik mijn betekenis van Kakmadam. Of het moet het moment zijn dat ik eens buiten het hek kom en naar de stad moet. Inderdaad, de wimpers flink in de mascara en de lippen in vurig rood gestift. Vooral dat laatste begrijp ik niet helemaal van mezelf want zowel buiten als binnen is de “smoorkap” verplicht. Binnen het hek is dat wel anders. Spijkerbroek, slobbertrui en crocks voor binnenshuis en slobberjas met gevoerde kaplaarzen voor buiten. Mascara en lipstick komen niet eens uit de toilettas. Maar dat brengt mij nog niet bij mijn betekenis van Kakmadam.

Mijn Kakmadam draagt inderdaad gevoerde kaplaarzen. Slippers en crocks kunnen niet, maar daar kom ik straks op terug. En in de winter natuurlijk de slobberjas. Aan beide handen rubber handschoenen. In de linker hand een tasje met twee hengsels waarvan één hengsel aan de hand en het andere hengsel los, zodat een brede opening ontstaat. Aan de rechterhand een zak, over de hand geschoven tot polshoogte. Ogen zijn in dit geval belangrijk. De ogen scanen alles waar de Kakmadam loopt of gaat lopen. Maar soms en dan komen de slippers en crocks in beeld, want slipper hebben alleen maar een zool en crocks hebben niet alleen gaten aan de bovenkant maar ook aan de zijkant, net boven de zool, zijn die ogen net te laat en dan voel je glijden. Dat glijden is met niets te vergelijken. Niet met modder of iets anders glibberig. Dat glijden kan alleen bij hele echte hondendrollen.

Toen Vali voor mij peren ging plukken met een speciaal netje. Het was mooi weer en ze liep haar blote voeten. Ze rekte haar lichaam door haar voet te buigen om zodoende op haar tenen te kunnen staan en om bij de peren te komen die hoog in de boom hingen. Ik hoorde iets sappigs en zag iets tussen haar tenen omhoog komen. Ze hebben twee honden moet u weten. Maar Vali lachtte en riep toe: nee, nee! Dat is het niet, het is een rotte peer. En ze had gelijk. Ik had het kunnen weten want het sappige geluid klonk toch heel anders. Maar goed, de Kakmadam scant dus met de ogen waar eventueel de hondenkak kan liggen. Met de rechterhand, dus met reubberhandschoen en plasticzak, pakt zij de hondenkak en stopt die in het openhangende tasje aan de linkerhand. Wat een vies werkje zult u denken. Welnu met drie honden moet dat wel en met een schepje is misschien frisser (dat denkt u dan) maar daar heb je dan twee handen voor . Eentje voor de schep en eentje om de drollen op de schep te schuiven, omdat die natuurlijk nooit in één keer opgeschept kunnen of willen worden. Eerlijk gezegd heb ik veel mogelijkheden uitgeprobeerd en deze versie met de twee handschoenen en de plastic tasjes, is voor mij de beste manier. Dit moet dan ook elke dag. Want als je zoiets maar één keer in de week doet wordt die hele binnentuin natuurlijk een glijbaan en dan ook nog eentje die verschrikkelijk stinkt. Normaal gesproken heb ik van die stank niet zoveel last, het zijn tenslotte mijn eigen honden. Anders is dat met iemand anders hond.

Dat moet ongeveer twee jaar geleden zijn, want het was in de winter. Het was koud, het regende en de wind waaide alle kanten op. We liepen in het centrum van Pécs met een hond aan de riem. Niet onze hond maar van bekenden die iets bijzonders moesten doen waarbij de hond niet welkom was. De hond kan ook niet tegen alleen thuis zijn, dus wierpen wij ons op als opvangouders. Nu lopen wij nooit met onze honden in de stad en al helemaal niet aan de riem. En ik had mijn nette jas aan en daarin heb ik nooit rubber handschoenen en plastic tasjes, zoals in mijn slobberjas voor in de tuin. Maar gelukkig heb ik wel altijd papieren zakdoekjes bij me. Helaas waren dat er tijdens deze wandeling in het centrum van Pécs maar twee. De hond, echt een schatje hoor, wandelde gezellig naast ons en het koude en natte weer leek haar niet te deren. Tot de riem ineens strak trok. Ik keek om en zag haar die duidelijke kakhouding aannemen. Ik probeerde haar mee te trekken, een beetje meer naar de zijkant waar een opengewerkte putdeksel was. Nu was het die dag helemaal niet druk op straat behalve op dat moment dan. Ineens liepen er heel wat mensen die ook diezelfde kakhouding zagen. We waren dus gezien en moesten daarom zeker wel handelen en alles weghalen. Het gevolg was een inmense drol voor zo’n klein hondje. Of in ieder geval te groot voor twee papieren zakdoekjes. En dan komt het verschil met eigen hond en iemand anders hond. Daar waar ik thuis mijn hand niet voor omdraai, daar moest ik me nu inhouden om niet te gaan kokhalzen. Maar gelukkig was de wind fris en kwam ik snel weer op adem. Met afgewend hoofd bracht ik de volle papieren zakdoekjes naar de dichtsbijzijnde prullenbak. In mijn tas vond gelukkig nog een paar gebruikte zakdoekjes. Niet heel fris, maar altijd nog frisser dan dit met de hand te moeten doen. De hond liep weer dartel mee, alsof er niets gebeurd was. Maar op een afstand keken de mensen wel toe of ik alles weggehaald had. Bij het café, waar honden wel welkom zijn, rende ik eerst naar het toilet om mijn handen grondig te wassen. Niet dat ze heel vies waren maar wel voor de zekerheid.

Mijn taak is niet alleen de honden, maar ook het kippenhok. Ik vraag mij ook ineens af hoe ik ooit aan deze taaktoebedeling ben gekomen. Maar ik kan u verzekeren dat kippen er ook wat van kunnen, van dat kakken. En natuurlijk draai ik mijn hand ook niet om om thuis ook de wc nog schoon te maken.

Kakmadam. Ik kan me nog steeds niet vinden in die bovenste beschrijving. Ik geloof dat ik Van Dale maar eens aan ga schrijven voor een nieuwe omschrijving van dit woord. Wie weet wordt het volgende jaar wel woord van het jaar. Maar dan in de nieuwe betekenis.

Míp.

En nee, dit keer maar geen foto’s erbij.

Achter een kneuzing zit soms toch een heel verhaal.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Ik pakte de warme pan, plaatste die op de onderzetter, roerde de saus nog even door en liet de gootsteen volstromen met koud water om de pan af te laten koelen. Met ovenwanten, omdat de oren nogal heet waren, nam ik de pan op. Die voelde zwaarder dan verwacht. Maar tijdens het moment dat de pan in de gootsteen geplaatst zou worden, werd die ineens lichter. Eerst een doffe klap, daarna het geluid van uiteenvallend gesteente. Ik sloot mijn ogen en zag een sterrenhemel opdoemen. Zelfs de melkweg was in haar geheel zichtbaar. Daarna een schreeuw, een vloek en nog een schreeuw. Hevige pijnscheuten terwijl een heel piepklein sneetje zichtbaar was. Maar niets was minder waar. De antieke tegel, jaren geleden cadeau gekregen van Simon Winterman, die sinds die tijd dienst deed als onderzetter op het aanrecht, was aan de pan blijven plakken en had tijdens de vlucht naar de gootsteen losgelaten. Eerst op mijn grote teen en was daarna op de stenen vloer in stukken uiteen gevallen.

Hans bekeek mijn voet, zag geen bloed maar slechts een kleine beschadiging aan de huid. Ach, even omhoog zitten dan gaat het morgen beter sprak hij hoopvol. Maar de teen werd blauw en liet een behoorlijke zwelling zien. Gekneusd. Nooit geweten dat een gekneusde teen je nachtrust verziekt, maar erger nog, dat je er niet mee kan lopen. Ik besloot om rust te nemen, extreme rust, iets dat in mijn geval toch best uitzonderlijk te noemen is. Languit op de bank, twee kussens onder de voet, de pijn gesust door paracetamol, iets dat in mijn geval ook uitzonderlijk te noemen is, die paracetamol. Na een dag had ik het wel gezien daar op die bank. Maar het werd niet minder. Een vriendin schreef: smeer er cbd-olie op! Nu wil ik best veel toeschrijven aan cbd, maar een gekneusde teen leek mij toch wel wat ver gaan. Maar toch deed ik het en verdomd, de zwelling stopte met zwellen en de donkerblauwe plek verdween. Natuurlijk was de kneuzing niet weg, maar zeker wel beter te verdragen. Schoenen kon ik niet verdragen maar Crocs wel. Die foei lelijke Crocs werd mijn schoeisel voor de komende tijd.


Het lopen ging nog steeds niet goed en daarom besloot ik de krukken van Hans (voor zijn gebroken voet, gebroken middenvoetsbeentje en enkele kneuzingen aan zijn enkels) te gebruiken. In het Hongaars mankó genoemd, nou dat dekt de lading wel. De krukken en ik bleken geen goede combinatie. Mijn motoriek kon de tegengestelde bewegingen niet aan waardoor ik voorwaarts of achterwaarts ter aarde dreigde te storten. Dus zette ik steeds mijn voet bij om dit alles te voorkomen.

Er waren verschillende redenen waarom ik zo snel mogelijk weer op de been wilde zijn. Ten eerste, omdat er nog kilo’s tomaten van het land moesten en daarna gelijk verwerkt moesten worden. Dat was ook wat in de pan zat waar de onderzetter onder bleef hangen. Tomatensaus. Ten tweede lag plotseling mijn fietstraining stil. Het was nu al half juli en voor half augustus moest ik toch echt mijn schema klimmen en dalen in de benen hebben om straks zonder al teveel spierpijn, en natuurlijk zadelpijn, de rit van 200 kilometer van Pécs naar Gyugy tot een goed einde te brengen. En als laatste houd ik niet van mankementen. Met die foei lelijke Crocs was het eigenlijk best te doen. Het lopen dan. En zodoende konden mijn werkzaamheden gewoon doorgaan, zij het met slepend been.

Een piepklein deel van de opbrengst. Maar wat een heerlijkheden.

Ik liet mijn voeten in mijn sportschoenen glijden. Trok de veters stevig aan. Wel gevoelig maar zeker niet pijnlijk. Zette mijn voeten op de pedalen en reed naar het dichtsbijzijnde dorp. Dat is maar drie kilometer. Eenmaal daar bedacht ik dat ik best wel wat verder kon en reed nog eens twaalf kilometer extra. Maar eenmaal aangekomen bij een bankje leek een hele gereedschapskist zich in mijn schoen te bevinden. Hamer, zaag, priem en nijptang waren de namen die zo in mijn hoofd opkwamen. Nu nog vijftien kilometer terug. Normaal gesproken een peulenschil. Nou ja, kiezen op elkaar en gaan met die banaan. Maar onderweg doemde vreselijke dingen in mijn hoofd op. Zou ik moeten opgeven? Zou ik moeten vertellen dat mijn grote teen (hoeveel is dat van het menselijk lichaam?) niet mee wilde werken en dat ik daarom niet zou kunnen deelnemen aan deze fantastische fietsrit? Ik wilde er niet aan denken maar het liet mij niet los.

Ik bleef wel fietsen, maar steeds kleine stukjes. Soms alleen, soms met Hans. In de morgen in al vroegte als de zon zich nog van haar zachte kan liet zien. Wel warm maar zeker niet te heet. Hans’ advies om dit jaar maar gewoon te laten schieten knaagde aan mijn geweten. Onderwijl kwamen er gezellige appjes binnen van Ron en Arwen, die waren in Frankrijk aan het rondtouren. Ze zochten de niet toeristische plekken om te wandelen. Tussen de regels door dacht ik te begrijpen dat ze toch wilden proberen onze kant op te komen. Maar, bedacht ik, als er iets mis gaat met het virus zijn ze vanaf die plek in een dag weer thuis, dat leek me toch veiliger. Tot begin augustus een app binnenkwam. Het geluid op mijn telefoon van de app klinkt als een soort springveer. Een geluid dat Hans nog weleens kan ergeren terwijl ik er juist heel vrolijk van word. Ik keek op mijn scherm en lachte. Of we morgen thuis zijn zei ik. Ze blijven maar een week. Nu werd Hans toch ook ineens vrolijk van die irritante springveer. Want er moest nog even heen en weer geschreven worden. Die tekst ging meer over blijdschap van beide zijden dan andere inhoudelijke boodschappen.

Het was een heerlijkheid om hen weer in de armen te sluiten, al was het maar voor een week. De hitte van augustus gaf niet veel ruimte voor klussen. Maar was dat erg? Welnee. Voor deze week was er ruimte voor andere dingen zoals zwemmen en…… fietsen. Arwen is eigenlijk geen fantiek fietser. Maar ja, ik was ook nooit een fanatiek lange afstandloper en noemde dit ooit de meest walgelijke manier van voortebewegen, tot ik met Arwen mee ging lopen voor haar training voor de vierdaagse van Nijmegen. Toen was ik de pineut, want het bleek helemaal niet walgelijk maar juist heerlijk. Hans’ fiets werd op de maat van Arwen versleuteld. En zodoende fietsten wij gezamelijk de kilometers weg. Heerlijk was het maar de zadelpijn gooide toch roet in het eten. Nog één keer zou ik een moeilijke rit maken met klimmen en dalen en dan zou mijn besluit vast staan. Gaan of niet?

Het was op een zondag. Ik nam de klimmen in een hogere versnelling, zodat de voeten extra hard met de pedalen moesten werken. Ik fietste met de versnellingen steeds hoger waardoor elke heuvel en elk stuk vals plat steeds zwaarder werd met de hitte van de zon op mijn rug. Mijn besluit werd op die dag genomen. Niets of niemand zou mij meer tegenhouden. Zelfs geen gekneusde grote teen. En het was ook die dag dat Hans besloot zich bij mij aan te sluiten.

Niet ver, wel pittig.

Deze gedachten kwamen een paar dagen geleden ineens op in mijn hoofd toen ik tijdens het wandelen met honden over de akkers mijn grote teen ineens weer voelde. .De ondergrond zompig en onregelmatig waardoor mijn laarzen een extra plateauzool kregen. Het weer was guur en nat. De reden dat kneuzingen vaak weer opspelen. En, bedacht ik, achter een kneuzing zit soms toch een heel verhaal.

Míp

Zij mochten natuurlijk wel dicht op elkaar.
maar op de zonneweide bij het zwembad, natuurlijk wel 1,5 meter afstand.

In het land der blinden is éénoog koning.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Het was aan het begin van dit jaar. Het was koud en de mist bewoog in langdraderige slierten over de akkers. Het was het die dag eigenlijk niet echt licht geweest. Eerst hadden we dan laaghangende bewolking en nu deze opkomende mist. We reden naar Siklós voor een afspraak in dezelfde winkels als we de week tevoren ook al geweest waren. Ondanks het deprimende weer waren we in heel goede stemming. We reden naar een opticien waar vandaag een oogarts aanwezig zou zijn. De afspraak was om drie uur en we waren ruim op tijd.

De afspraak was tot stand gekomen, omdat Hans die week ervoor zijn ogen had laten testen om een nieuwe bril aan te laten meten. Dat was hard nodig, omdat het oude montuur de afgelopen tijd wel vijf keer was gebroken op de breuk die daarvoor al was ontstaan door een liefdevol gevecht met Beau. Beau raakte zo enthouiast dat hij Hans de bril van zijn neus sprong en het montuur daardoor niet meer één geheel was, waardoor je het een bril zou kunnen noemen. Met lijm werd een tijdelijke oplossing gevonden, maar niet die oplossing die we voor ogen hadden. Het montuur had niet meer die stabiliteit als daarvoor en gleed daardoor regelmatig van Hans’ neus, viel op de grond, daarna een hardgrondige vloek en weer daarna verdween hij het huis in om met lijm en klemmen het glas weer vast te zetten. Al twee keer eerder reden wij naar een opticien. Die kregen zijn ogen niet scherp waardoor hij alles dubbel zag. Ook bij de opticien waar we een week eerder waren kwam hetzelfde euvel tevoorschijn. Dubbel, alles dubbel. De oogmeetster kwam er niet uit en maakte een afspraak voor Hans met de oogarts die die dag naar de opticien in Siklós zou komen.

We liepen naar de winkel in een straat met winkels, want een winkelstraat kun je deze straat niet noemen. Eerst een rare opstap op twee verschillende treden, daarna een deur die schuin opengaat. Met een handicapje moet je daar niet komen, geen mogelijkheid dat je er binnenkomt. We stapten binnen en konden onze ogen niet geloven. Vol, tjokvol met mensen. Overal werden stoelen vandaan gehaald om het de klanten zo confortabel mogelijk te maken. Nee, het virus was toen nog niet in het land. Of we wisten het nog niet. De deurbel bleef maar rinkelen. De ramen van de etalge begonnen langzaam dicht te trekken van de vochtige uitademing van zoveel mensen tegelijk. De oogmeetster nam elk nieuw persoon op en druppelde meteen de ogen vol met een goedje, waardoor het zicht meteen vertroebelde. En iedereen die binnen kwam was hier om door de oogarts onderzocht te worden. Oogmeten vraagt veel tijd en zo konden we berekenen, mits iedereen zich aan de tijd hield, wij rond acht uur die avond aan de beurt zouden zijn. Ik keek naar Hans die misschien wel het meeste vocht afscheidde in deze winkel. Om het op zijn zachtst te zeggen gaat zijn voorkeur niet uit naar lang wachten en zeker niet naar zoveel mensen die hem voor moeten gaan. Er ontstond een dillema. Ik ben nachtblind en in het donker met de auto ben ik een attractie op de weg. We besloten even naar buiten te gaan om een sigaret te roken. Maar éénmaal buiten bleek de mist toch sneller op te trekken dan het er eerst uitzag. Maar ook de avond begon al in te vallen. Even opperde ik een hotel te nemen, maar de honden en katten hadden nog niet gegeten. De kippen zouden dan wel vanzelf naar hun nachthok zijn gegaan, maar de deuren daarvan moesten ook gesloten worden om roofzuchtige dieren buiten te houden.

Hoe is het met je zicht? Vroeg ik Hans. Goed zei hij en startte de auto. Het werd rijden op de tast. Potdicht. Maar gelukkig op een weg met heel weinig of geen verkeer. Éénmaal thuis verklaarde hij zijn voorzichtige rijstijl. Zijn zijn ene oog had best redelijk zicht, maar het andere oog was nog steeds troebel. Maar, sprak hij monter, mijn zicht is toch beter dan jouw nachtblinde ogen. Tja, in het land der nachtblinden is éénoog dus ook koning. Heel fijn, maar nog steeds geen goede oogmeting en daarmee nog steeds geen nieuwe bril.

De huisarts verwees naar de oogarts hier in het gezondheidscentrum. Afspraak in maart. In maart bleek de oogarts geen ogen te meten vanwege het virus. De afspraak werd verzet naar mei, maar ook die ging niet door. En de bril bleef maar vallen en de lijmlaag werd steeds dikker waardoor op het brillenglas een soort blinde vlek ontstond. Eindelijk, half augustus kon Hans terecht bij de oogarts. Ze bekeek zijn ogen met een lampje. Ondertussen kwamen de vragen welke ziektes Hans onder de leden had. Ik vond het vreemde vragen maar gaf keurig de antwoorden. Nee,, geen hoge bloeddruk. Nee, geen suikerziekte. Nee, geen verhoogd cholesterol. En toen rolde de aap uit de doktersjasmouw. Zij onderzoekt alleen ogen van mensen die iets mankeren, zodat ze daarvoor aangepaste medicatie kan geven. We konden weer gaan, maar niet voor zij een optie gaf voor een wel héél erg goede opticien in Pécs. Met naam en telefoonnummer reden we weer naar huis, de zonnige warmte tegemoet.

Ik belde. Een zachtaardige stem. Een vrouw. In welke taal? Dat was haar vraag. Hongaars, zei ik. Toen dacht ik aan het oogmeten en welke specifieke vragen daarbij komen. Duits? Was haar vraag. Dat is goed, want Hans’ Duits is beter dan zijn Hongaars. Over twee weken? Komt dat uit? En ja, dat kwam ons zeker uit.

We reden naar Pécs en vonden de opticien in één van de zijstegen die de hoofdstraat rijk is. Niet makkelijk te vinden, maar daarentegen met een handicapje heel makkelijk te bereiken. Eerst handen ontsmetten, buiten. Maar toch niet echt buiten want de steeg is overdekt en dat is bij zowel warm weer als koud en regenachtig weer heel fijn. We stapten de winkel binnen. Fijne sfeer. Aardige vrouwen. Mooie collectie. Daarna kwam een rijzige man tevoorschijn. Aardig, geen ander woord, zo aardig allemaal. En allemaal brildragend. De man bood zijn elleboog aan als teken van welkom. Welke taal? Hans maakte zijn altijd grappige grap. Spaans, Engels, Frans, Italiaans. Frans zei de rijzige man. Als het u uitkomt. En toen ontstond er iets heel bijzonders. Beiden moesten nu in een vreemde taal spreken en beiden deden hun best om helder te spreken en goed te luisteren.

De oogopmeetruimte is naast de winkel en geluiddicht. Professionele aparatuur. Meten en meten en nog eens meten. Eerst het linker oog, toen het rechter oog. Alles perfect. Toen de beide ogen bij elkaar. Dubbel. Ik zie dubbel zei Hans. Aha, sprak de rijzige man. Dit probleem ken ik. Dit heb ik zelf ook. Hiervoor moeten we een andere meting doen en daar moet ik ongeveer een uur uittrekken. Een blik in de agenda gaf een datum van anderhalve week verder.

Op de afgesproken datum was een uur gereserveerd. Maar het liep iets uit. De vrouw van de rijzige man was erbij voor extra controle. Qua taal dan. Zij spreekt goed Engels en Duits en natuurlijk Hongaars. Het meten kon weer beginnen. Maar het duurde en duurde tot het moment “sein meester” werd gegeven. Het dubbel zicht probleem was opgelost. Het nieuwe montuur werd uitgezocht en daar bleek nog een verrassing achteraan te komen. Als Hans nog een montuur zou kopen, dan zou hij de glazen voor die tweede bril gratis krijgen. Altijd welkom zo’n extra bril, gezien de breek ervaringen van afgelopen anderhalf jaar. Alles werd in orde gemaakt, een kleine aanbetaling gedaan en daarna werd het wachten op het verlossende telefoontje dat de brillen klaar waren.

Dat duurde drie en een halve week. Maar dat is niet lang als je al zo lang wacht op de juiste meting en de daarbij passende bril. Hans was helemaal vrolijk want zijn oude bril was in die tussentijd nog dichter geslibt van de lijm door steeds weer nieuwe breuken. Iedereen keek toe. Hans zette de bril op en moest lezen van groot naar klein. Groot ging goed, heel goed zelfs. Kleiner ook nog wel, maar nog kleiner niet. Hij was niet helemaal tevreden, maar en dat wordt wel vaker gezegd, je moet wennen aan een nieuwe bril. Geef het een week. Maar na een dag trof ik een ongelukkige man. Hij kon het gewoon niet goed zien. Rechts wel, alles goed, maar links was helemaal niets. Terug naar de leuke opticien, waar ze helemaal verbaasd maar toch ook heel lief waren. Ogen opnieuw meten. Het euvel werd snel gevonden het rechter glas was niet goed gezet. Geen probleem. Nieuwe glazen worden besteld en we bellen als die er zijn.

Drie weken later waren de nieuwe glazen er. Hans keek, las, wandelde even over straat en zei:. Nog steeds niet goed. Oké gewenning, even een weekje proberen en zien of het dan op orde is. Maar het kwam niet op orde. Weer nieuwe meting. En iedereen nog net zo aardig en zoekend naar wat er fout had kunnen gaan. Nogmaals ogen meten. Bril meten. Het klopte niet. Bril weer inleveren en wachten tot de nieuwe glazen er weer waren. Ondertussen kon hij zijn oude bril niet meer dragen, omdat de ogen nu gewend waren aan de nieuwe bril.

Hoe gaat het met je ogen? Goed zei Hans. Stak de auto achteruit naar het hek van ons huis. Oeps! Zei ik nog. En toen hing het achterwiel van de auto boven de greppel die langs het pad naar ons huis loopt.. Oeps! Zei ik nogmaals, ogen toch niet helemaal goed. Gelukkig hebben we de bus nog om de auto weer vlot te trekken. En zo gebeurde. Hans regelde touwen, ik bleef in de auto voor het benodigde stuurwerk en zo kwam alles toch weer goed. Behalve die bril dan.

Gisteren, 3 december 2020, kan ik u melden dat zich tot mij wendde een heel gelukkige man. Na anderhalf jaar meten en passen is het gelukt! De bril is goed! De oogcorrecties zitten op de goede plaats. Het oude, ongeveer dertig keer gebroken montuur, ligt in de vuilnisbak.

Tja, in het land der blinden is éénoog Koning. Maar liever heb ik toch een man met twee goede glazen. Hij is vrolijker en ziet mij eindelijk weer zitten.

Míp.

Kijk eens hoe blij!

En dat is dan bril twee. Ook die maakt hem héél gelukkig!

Naargeestig.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Het bleef in mijn hoofd hangen toen ik één (ik heb er vijf) van mijn zussen dit woord schreef. Je kunt er ook twee woorden van maken. Deze tijd is naar en zeker niet geestig. Het woord geestig vind ik zo’n leuk woord. Het is een leuker woord dan grappig bijvoorbeeld. Althans dat vind ik. Als ik een goede grap maak vind ik mijzelf heel geestig, hoewel mijn omgeving daar natuurlijk soms anders over denkt.

Kippen bijvoorbeeld vind ik geestig, hanen aan de andere kant vind ik weer naar. Maar het weer dat ons de laatste tijd in de ban houdt is weer naargeestig. Kijk, is het woord ineens weer aan elkaar geplakt.

Het woord bleef ook hangen, omdat ik bedacht dat sommige woorden niet meer gezegd of geschreven mogen worden. Onze schoonzoon Regi die de bijnaam Beer draagt, een naam die hem past als een mooie berenjas, de vader van ons prachtige kleinkind Milan (ook zo’n heerlijke beer en ondertussen groter dan Hans), is van Surinaamse afkomst. Een mooie vrolijke man. Een goed mens. Hij is kok. Hij werkte in de keuken van onze stamkroeg. Hans stond mij op te wachten op het terras. Ik kwam aanfietsen en zag Regi in de opening van de keuken staan. Ik riep Hans toe: Er staat een n….er in de keuken! Kom, laten we hem gaan zoenen! De verontwaardigde gezichten van de stamgasten op het zonovergoten terras liet ik met een brede grijns achter me. Regi opende zijn armen en begroette Hans en mij in één keer en schaterlachtte om mijn opmerking. Die opmerking kan nu niet meer, maar toen vond ik hem zelf héél erg geestig.

Een woord dat ook niet meer kan is m..rkoppen. Welnu, er is in de vriendenkring een hele geestige vriendin. Simone Ten Bosch. Zij is kunstenaar te Den Haag en wij ontmoetten haar in 2008 hier in Hongarije toen zij op Post 15 (arstist in recidance, een intiatief van Elizabeth de Vaal) zich omringde met allerlei lapjes. Die lapjes werden uitgedeeld aan Hongaarse vrouwen, die op hun beurt weer die lapjes mochten borduren of schilderen of andere dingen die je maar kunt bedenken wat je met zo’n lapje kunt doen, als het maar de afmeting behield. Van die lapjes maakte Simone haar project: De Hongaarse Rok. Er was haast met de rok, dat wel, want hij moest op 8 maart klaar zijn voor de presentatie in Pécs. Op Vrouwendag. Het werd een fantastisch project. Szilvia, buurvrouw van Post 15, was de draagster van de Hongaarse Rok, inclusief bijpassend hoofddeksel. Andere meiden, waaronder ook ik, droegen creaties van Simone”s voorgaande projecten. Het weer was naargeestig, met veel regen en wind. Maar het projet was zo geestig met al die vrolijke rokken met bijpassende hoofddeksels, dat het geen vat op ons kon krijgen. Ik kijk er nog steeds met heel plezier op terug.

Simone Ten Bosch. Zo’n geestige vrouw. Creatie: Simone Maria Ten Bosch. Foto: Hans Molenkamp

Szivia in de enige echte Hongaarse Rok. Creatie: Simone Maria Ten Bosch. Foto: Hans Molenkamp.
De Wereld Rok. Deze zou niet door mij worden gedragen op Vrouwendag,. Dit was een dooorpas moment. Creatie: Simone Maria Ten Bosch. Foto: Hans Molenkamp.
Mijn Vrouwendag 2008 Rok. Inclusief stekelvarkenhoed. Creatie: Simone Maria Ten Bosch. Foto: Hans Molenkamp.
De voorbereidingen, net voordat we de regen in zouden stappen. Szilvia op de voorgrond die kapstok kom niet uit haar hoofd. Naast mij Szivli, de dochter van Silvia. Creaties: Simone Maria Ten Bosch. Foto: Hans Molenkamp.
Geestige kledij. Vrouwendag 2008, het was geen dag waarop veel mensen de stad introkken. Het weer was te naargeestig. Creaties: Simone Maria Ten Bosch. Foto: Hans Molenkamp.

Het was in juli van dit jaar. Een snikhete dag die we voor het overgrote deel in de schaduw doorbrachten. De postebode liet zijn posthoorn klinken. Hij had een envelop die niet in de brievenbus paste. Op de envelop een prachtig herkenbaar handschrift waarmee onze beider namen geschreven stonden. De inhoud: twee foudraals, eentje lila, eentje groen. Met bijpassende zijdeachtige strikken om het foudraal gesloten te houden. In de foudraals twee handgemaakte mondkappen met daaraan een oranje label met de tekst: Simones smoorkappen. Voor een naargeestig product, in een naargeestige tijd en dan juist zo’n geestige naam.

Míp

Smoorkappen, wie verzint dit? Zo Geestig! Creatie: Simone Maria ten Bosch. Selfie: Hans Molenkamp.

Bence or Beyoncé, that is the question.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

We hebben drie honden. Beau, Sissi en Bence. Alle drie van de border collie familie. Beau en Sissi zijn stokharig, dat wil zeggen dat de haarstijl redelijk stijl en kort is. Bence heeft meer de vacht van onze voormalige border collie Pip. Je leest natuurlijk al het verschil. Stokharig en vacht. Bence heeft een lekkere volle langharige kroelvacht. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat de andere twee niet kroelbaar zijn maar het is meer de uitleg voor de vacht die hij alle seizoenen met zich mee draagt. Of waarmee de stofzuiger dagelijks gevuld kan worden, dat natuurlijk ook.

Zo ergens in juni begon de temperatuur al meer dan zomers te worden. Heet, dat was het. En als er hitte is moet er water gegeven worden. En als er water gegeven wordt is Hans altijd de pineut. Hij sleept met vele tientalle meters tuinslang met aan de kop een waterpistool. Twee hondenkoppen steken om de hoek. Hoor ik daar een waterpistool? En ineens staan ze recht voor hem, kijkend naar de waterstraal. Dan bijtend naar het water. Ik hoor een lichte irritatie in Hans’ stem. Nee Beau! Niet nu! Bence! Ook jij niet! Ik bekijk het vanaf een afstand, samen met Sissi die het ook niet zo op waterstralen heeft. Beau en Bence zijn ongeduldig en weten net als ik dat als ze volhouden Hans zich binnen enkele minuten over zal geven aan de waterdrift van deze twee doordouwers.

Ik besluit weer verder te gaan waar ik mee bezig was en als ik me omdraai hoor ik nog net: Nou kom maar op dan stelletje drammers! Ik hoor Sissi met haar hoge blaf als ze iets niet uit kan staan en hoor twee hondenbekken gelijk twee castagnetten klakken. Bijna in de maat. Het waterballet van alle dag in zomertijd.

Beau is altijd onze springhond geweest. Gek op de zomerse buitendouche of elk ander water, als het maar een straal is. Pip vond het leuk om ermee te vechten maar van springen kon geen sprake zijn en Sissi vond het maar beter om op afstand te blijven. Blijft wel dat Pip onze beste langharige frisbeehond was en Sissi onze allerbeste stokharige frisbeehond is. Beau is redelijk met frisbees. Je roept hem, houdt de frisbee omhoog, Beau rent weg, neemt meestal de struik als afslag om dan in de houding tevoorschijn te komen waarna dan pas de frisbee gegooid kan worden en dan nog vaak mist hij de frisbee. Maar hij weet in ieder geval de frisbee is gevallen en brengt hem dan vol trots terug. Bence vindt frisbees interesant. Nou ja, voor een minuut dan. Hij vangt een paar keer, laat de schijf uit zijn bek vallen en gaat vervolgens zijn neus achterna. Mits…de frisbee hoog gehouden wordt. Dan gaan alle prikkelende prikkels open. Hij neemt een aanloop en springt zo hoog dat je armen en benen in bescherming moet nemen. Hij gebruikt namelijk de benen als springplank naar dat wat daar hoog boven je hoofd naar hem lonkt. Dan is hij niet te stuiten.

Maar terug naar het waterballet. Ik hoor altijd aanmoedigende termen van Hans. Zoals: kom op! Hoger! Je kan het! Circus Ellenboog! En dat is niet tegen dovenmans oren. De vliegende Panters zijn er niets bij vergeleken. Maar toch, op deze hete zomerdag in juni wilde Bence iets bewijzen. Hij is de jongste, hij is de kleinste en als het moet laat hij ook merken dat dit zo is. Onderdanig is daar een mooi woord voor. Maar dit keer leek hij door alle barriéres van de protocollen in de hondenwereld heen te gaan. Het viel Hans ook op en hij vroeg me te helpen. Hans haalde zijn fotocamera en ik bediende het waterpistool. Zijn sprongen werden hoger en sierlijker. Alsof hij door een groot publiek op handen gedragen werd. Zijn performance bleef niet onopgemerkt bij Sissi en Beau. Met vier poten tegelijk stonden zij als aan de grond genageld. Afguntig en respectvol tegelijk. En ik dacht alleen maar: naar wie kijk ik? Bence or Beyoncé? That was my question. Fijne vraag zo op een kille grijze novemberdag.

Míp

Zie jij wat ik zie Sissi?. Zo hoog?
De andere twee totaal buiten beeld gesprongen. Wat een sierlijkheid.
Beau doet nog een poging, maar moet zijn meerdere erkennen.
Even de baas checken of ik er goed op sta.
A flying dog, can you see?

Bence! Wie heeft jou opgelaten? Waar zit het touwtje?
Respect Bence! Dit doe ik je echt niet na.
Op naar het einde van de show.
Nog eentje voor jou dan Beau
En de afsprong. Einde van de show. Dank u voor het applaus!

De wandelgang.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Het was de laatste dag van mei. We vertrokken richting het dorp waar de groep samen zou komen. Nog voor wij ons eigen dorp verlieten werden we aangehouden door onze burgemeester. Hij stond midden op straat en zwaaide met beide armen om ons tot stilstand te manen. Hij stak zijn hoofd door het openstaande raam en legde zijn arm op de raamstijl. Ik lag bijkans op Hans’ schoot om het spervuur van zijn woorden zoveel mogelijk te ontwijken. Misi, alsjeblieft! Een beetje meer afstand riep ik hem in halfliggende houding toe. Hij lachtte en maakte met zijn arm het bekende wegwerpgebaar. Ach, dat virus, niets aan de hand sprak hij, terwijl hij zijn hoofd iets meer terugstrok. We stapten uit, hielden nu de nodige afstand, zodat hij zijn bijna niet in te houden vraag kon stellen. Het was eigenlijk een oude vraag van misschien wel acht jaar geleden waar de vorige burgemeester niets mee gedaan had en waar wij nu ook niets mee konden doen, omdat het antwoord op die vraag in het najaar gedaan moet worden. Het planten van wilgen.

We reden verder richting onze bestemming. Het weer werd slechter. Dat wil zeggen dat er bakken regen in de maak waren. Dondergrijs en gruwel, zo zag het eruit. Onderweg zagen we ze lopen. Met poncho’s en regenjassen. We keerden de auto, boden palinka aan en een zak vol stroopwafels. Het was een fijn weerzien want de meesten van deze groep hadden we oudejaarsavond voor het laatst gezien. Ze zagen er vermoeid uit en dat kan natuurlijk niet anders want ze waren al voor de vierde dag onderweg. De volgende dag zou de laatste wandeldag worden. Dan hadden zij er circa 175 km opzitten. En die laatste dag zou ik de resterende 25 km meelopen, onderweg naar de herdenkingsplaats van Bence. Ik had best wel wat geoefend, maar omdat Arwen er niet was in het begin van mei is het nooit tot een echte training gekomen. Zo gaat dat. Alleen doe ik best veel maar met Arwen zoek ik toch eerder de randen van mijn kunnen op.

De avond brachten we door in een groepsvakantiehuis. In dit huis was plek genoeg voor iedereen. Veel kamers en heel veel bedden, zodat slapen geen grote virusproblemen zou geven. Ik had chocolade taart gebakken, omdat ik wist dat ik daarmee veel liefde op mijn hals zou halen. Die ervaring had ik op ouderjaarsavond opgedaan en dat was een prettige ervaring. Maar die taart werd niet aangesneden die avond. Vali had een prachtige taart besteld waarin alle symbolen van Bence verwerkt waren. Het zou die dag zijn 19e verjaardag zijn geweest. Er werd gezongen, gehuild en daarna toch weer gelachen om de verhalen die opgehaald werden over jonge Bence. Een mooie vriendengroep.

De volgende morgen het ontbijt. Ontbijten met Hongaren is toch bijzonder. Daar waar wij yoghurt met muesli en honing eten, eten zij zsiros kenyér, een boterham gedoopt in een pan waarin het vet waar de avond ervoor de worsten in zijn gebraden. En een voorraad aan eieren en spek genoeg voor een bataljon.. De chocoladetaart werd aangesneden en in stukken verdeeld en meegenomen in de knapzak voor die dag. Zodoende ontving ik nu een hele dag liefde, iets dat ik best wel kon gebruiken bij die zware wandeling. Met nog zo’n 4 kilometer te gaan begon de lucht weer te betrekken. In de verte rommelde het. Bij 3 kilometer was het gedaan. Onvoorstelbare onweersklappen lieten mij ineen duiken, vooral omdat we net op open bospaden liepen. Toen kwam de regen. Hard en veel. Iedereen begon op zoek te gaan naar regenjassen en poncho’s. Maar voor de meesten van ons was het te laat. Doorwaternat binnen enkele seconden. Maar toch, vreemd genoeg kon het helemaal niemand deren. We liepen gewoon door en gingen verder met onze verhalen en soms net zoveel vragen. Ik ben dan wel de oudste van de wandelgroep, maar ben er ook het kortst bij. En iedereen is gezond nieuwsgierig en net zoals zij heb ik natuurlijk ook veel vragen. Zo leer je elkaar steeds beter kennen en ik kom er steeds meer achter in wat voor mooie vriendengroep wij terecht gekomen zijn.

De helling naderde. Vali plukte wilde bloemen, net zoveel tot ze een mooie bos had. Deze handeling herkende ik van vorig jaar. Die helling trouwens ook. Alsof je de laatste resten energie uit je lichaam moet halen om deze helling te beklimmen. En dan? Dan is er ineens dat vergezicht, het grasveld en het herdenkingsteken van Bence. Tranen vermengde zich met het stromende regenwater, waardoor een soort zee zout water langs de lippen stroomde. Hans ving mij op en bracht me naar de auto waarin een droge handdoek lag en droge (bijna warme) kleren. Ik stuurde Arwen een bericht: Ik heb het gehaald! En zij schreef terug dat ze eigenlijk niet anders had verwacht.

En nu, zo eind november moet ik alweer plannen maken voor een licht trainingsprogramma. Het liefst zou ik een flinke wandeling maken met één van de honden. Maar het virus houdt ons in de greep. Zeker vier besmettingen hier in het dorp, waaronder vriendin Brigi en de burgemeester en zijn vrouw. Je weet wel die man die dat weggooigebaar maakte. Hij schijnt zich niet zo goed te voelen. Over het wilgenproject zullen we het voorlopig maar niet hebben.

Míp.

NB: We hebben trouwens een uil op het balkon. Ik heb hem nog niet gezien maar wel gehoord. Ik vond ook stront en een uilenbal. Dit is geen grap. Maar als iemand hem mist in Nederland weet je waar hij zit en ik hoop niet dat hij blijft.

Vali en Zsuzsa. Moe en doorweekt, maar zeker voldaan.
Gyöngyi en ik. Hoewel ik een parmatigere foto van mezelf ken, wilde ik deze toch plaatsen. Hondsmoe en doorweekt maar toch heerlijk dat ik er weer bij mocht zijn.

Hok.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Het was begin mei van dit jaar. Door het virus wisten wij zeker dat wij deze periode geen bezoek zouden krijgen. Ron en Arwen, elk jaar present in de meivakantie, hoopten nog op een wonder, net als wij. Maar het wonder kwam niet. Ook andere vrienden, die wat later zouden komen zette een dik vet kruis door de afspraak. De mannen van de houtzaagclub, die samen met Hans tien kuub hout tot kleine porties zaagden en hakten, veegden de laatste spaanders bij elkaar als teken dat de klus erop zat. En ondertussen had ik een afspraak, een hele fijne afspraak.

Sinds twee jaar maken wij afspraken met mannen die iets kunnen. Loodgieters, electromonteurs en tegelzetters. Maar mannen die iets kunnen zijn druk. En mannen die iets kunnen zeggen altijd ja, maar bedoelen dan nee, omdat ze eigenlijk geen tijd hebben. Het wachten op mannen die iets kunnen hadden we al afgeleerd. Als ze niet komen op de afgesproken tijd weet je al dat ze helemaal niet komen. Tot er een klein wonder gebeurde.

De overbuurjongen kwam mij halen. Of ik even wilde kijken naar de nieuwe keuken en badkamer die hij cadeau had gedaan aan zijn moeder. Ik ken dat huis van binnen en werd dan ook zeer aangenaam verrast wat ik daar aantrof. Een prachtige keuken, mooi betegelde vloer, mooie wanden en fraai verlicht. Alles sfeervol. Toen werd ik meegetrokken naar de badkamer. Eigenlijk hetzelfde als in de keuken. Geen ander woord dan sfeervol. Op mijn vraag wie dit allemaal gedaan had stapte er een dikkige jonge man naar voren. Hij wees op een leuke half zigeuner jongeman. Wij hebben dit gedaan sprak hij met een lichte aragantie in zijn stem. Hebben jullie tijd voor nog een badkamer? Mijn stem sloeg er bijna van over. Ja, dat hadden ze wel. Niet nu maar over een paar weken zeker. Ik trok hen mee naar huis en liet het ons “hok” zien dat de naam badkamer droeg. Al jaren een grote ergernis waarvoor al lange tijd plannen en tekeningen klaar lagen. Ik zal u de details besparen, maar degenen die onze badkamer kennen weten precies wat ik bedoel. Een onoogelijk hok.

Daar wij in de loop der jaren al wat ervaring hebben opgedaan met aannemers, zouden we het dit keer anders aanpakken. Ten eerste konden we nu gebruik maken van onze ervaring en ten tweede was er geen taalbariere meer, omdat ik de taal ondertussen redelijk onder de knie heb. We namen alles door. Wat we wilden veranderen aan de opstelling, wat we weggewerkt wilden hebben en hoe de betegeling moest komen. Dat laatste alleen op plaatsen waar water stroomt: douche, wasbak en toilet. We spraken een prijs af, daarin verwerkt alleen hun werk dat bestond uit: slopen, water, electra, rolering en verwarming en natuurlijk weer opbouwen. Daarna kwam de tegelzetter waarmee we ook tot een overeenkomst kwamen. Eindelijk hadden we ze in huis, de mannen die iets kunnen.

Tien dagen was de berekening. En nu het toch mei was was het niet erg dat de verwarming werd afgekoppeld en dat we voor die tijd alleen water in de keuken hadden. Wassen kun je voor even best met een teiltje, of in het geval van Hans met een plantenspuit (overgehouden aan zijn woestijnreizen waar water schaars was). Voor het toilet hadden ook al een oplossing gevonden, dus geen probleem. Mannen die iets kunnen, kunnen veel. Maar wat mij toch wel is opgevallen, dat weinig van hen kunnen plannen. Toch geen kleinigheid als je een werk aanneemt en daarmee weken lang dagelijks over de tijd van de opdrachtgever gaat beschikken. Niet alleen de tijd maar natuurlijk ook de ruimte. Want buiten het hok dat badkamer heette namen ze ook de keuken, de aangrenzende kamer, de veranda en een groot deel van de binnentuin in beslag, waardoor je bijkans je nek brak over slangen, rioolbuizen en andere obstakels. Je wordt een horderloper in je eigen huis. Overigens geen slechte lichaamsoefening.

De sloop begon op 19 mei. De totale onttakeling van het hok ging eigenlijk redelijk snel. Alles moest vernieuwd, van waterleiding (die trouwens bij de minste aanraking uit elkaar viel, dus was best wel een beetje nodig) riool (dat helemaal omgelegd moest worden), alle electra en centrale verwarming. Het is mogelijk om hoopvol te worden van een enrome puinzooi. De vloer werd uitgediept en als je weet wat leem is weet je ook wat stof is. Ondanks dat we de aangrenzende kamers met folie hadden vergrendeld begon de stoflaag daar toch aan te groeien. En het werd ook nog koud, zeker voor de tijd van het jaar. De winterkleren waren nog niet allemaal ingepakt en dat kwam mooi van pas. Vooral dikke truien en sokken waren een veel gewild artikel in dit huis.

Doordat de planning niet al te vlotjes verliep moest de tegelzetter verzet worden. Maar toen die eenmaal kwam bleek dat hij was vergeten de vloer in het aantal vierkante meters te verwerken. Toch best wel fijn in een badkamer leek mij zo. Toen ook dit probleem was opgelost kon het werk weer verder. Mijn naam schalde veelvuldig door de ruimte, omdat ik de opzichter van dit werk was. Steeds als ze Hans iets vroegen wees hij naar mij en dus vroegen ze hem uiteindelijk niets meer. Ook op de vraag: Míp, waar is jullie andere toilet? Ik wees hem op het hek naar de achtertuin. Als je daar doorheen gaat loop je ongeveer nog 250 meter door tot het einde van de tuin. Daar kun je kiezen tussen de bosrand of linksaf slaan of rechtsaf slaan. Dat wij een andere oplossing hadden ging ik hem nu even niet vertellen. Al die tijd hadden ze er niet bij stilgestaan dat er helemaal geen tweede toilet was. Tja, mannen die iets kunnen kunnen natuurlijk niet overal rekening mee houden.

Het schoot allemaal niet op. Het lukte maar niet om ook maar één dag achter elkaar te werken. Steeds weer hoorde ik die auto starten en zag hen wegrijden op weg naar weer een één of andere winkel, omdat ze iets vergeten waren. Soms wel een paar keer op een dag. Nu moet je weten dat de dichtst bijzijnde winkels hier ongeveer tien kilometer vandaan zijn. En vaak hebben die winkels precies niet dat op voorraad wat je nu juist nodig zou moeten hebben. Dus bestellen of naar een winkel vijfentwintig kilometer verderop. Er begonnen scheuren te komen in mijn geduld. Geen haarscheuren maar echt diepe lelijke scheuren. Een stevig gesprek moest helderheid brengen. En dan komt het, iets zo typisch Hongaars. Zij konden er niets aan doen. Het was of de tegelzetter of de winkel of de auto of, als hij even buiten beeld was, de electromonteur. Maakte niet uit, maar zijn schuld was het zeker niet. Maar gelukkig sprak ik mijn woorden helder en duidelijk, er moest doorgepakt worden anders zou ik ze niet verder betalen.

Welnu, op 8 juni, 19 dagen later pakten zij hun spullen bij elkaar, legden die in de auto en voor de laatste keer reden ze weg. En dat was net op tijd. Anders had Hans hen bij kop en kont buiten de de deur gezet. Gelukkig voor hen heb ik hem dagen tegen kunnen houden, hoewel mij dat bijna meer energie had gekost dan de 19 dagen dat zij ons huis hadden overgenomen.

Het hok is nog steeds een hok. Maar wel een mooi hok. En ze hebben alle taken goed uitgevoerd en alle dingen weggewerkt die weggewerkt moesten worden. Ze hebben een grote ergernis bij mij weggenomen. Maar allemachtig nog an toe, wat was dat een opgave. En volgende week gaan we verven, dan is het hok helemaal af. Want dat was er nog niet van gekomen.

Míp

De sloop in volle gang.
De wederopbouw mét vloertegels.
Hans, met zij zelf gemaakte douche.