Kakmadam.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Ik ging nog maar eens op zoek naar de ware betekenis van dit woord. Nou ja, schelwoord. In het Vlaams vond ik: fiere, betutte, sjieke dame. Schetkont wat dan weer staat voor verwaand en profkont. In de Van Dale vond ik de omschrijving: Vrouw die deftig doet en verder las ik nog: Bekakt en verwaand vrouwspersoon. Bij Wikiwoordenboek vond: Opgedirkte vrouw en bij Encyclo.nl vond ik de Amsterdame uitvoering: vrouw met kapsones.

Bij geen van deze woorden vond ik mijn betekenis van Kakmadam. Of het moet het moment zijn dat ik eens buiten het hek kom en naar de stad moet. Inderdaad, de wimpers flink in de mascara en de lippen in vurig rood gestift. Vooral dat laatste begrijp ik niet helemaal van mezelf want zowel buiten als binnen is de “smoorkap” verplicht. Binnen het hek is dat wel anders. Spijkerbroek, slobbertrui en crocks voor binnenshuis en slobberjas met gevoerde kaplaarzen voor buiten. Mascara en lipstick komen niet eens uit de toilettas. Maar dat brengt mij nog niet bij mijn betekenis van Kakmadam.

Mijn Kakmadam draagt inderdaad gevoerde kaplaarzen. Slippers en crocks kunnen niet, maar daar kom ik straks op terug. En in de winter natuurlijk de slobberjas. Aan beide handen rubber handschoenen. In de linker hand een tasje met twee hengsels waarvan één hengsel aan de hand en het andere hengsel los, zodat een brede opening ontstaat. Aan de rechterhand een zak, over de hand geschoven tot polshoogte. Ogen zijn in dit geval belangrijk. De ogen scanen alles waar de Kakmadam loopt of gaat lopen. Maar soms en dan komen de slippers en crocks in beeld, want slipper hebben alleen maar een zool en crocks hebben niet alleen gaten aan de bovenkant maar ook aan de zijkant, net boven de zool, zijn die ogen net te laat en dan voel je glijden. Dat glijden is met niets te vergelijken. Niet met modder of iets anders glibberig. Dat glijden kan alleen bij hele echte hondendrollen.

Toen Vali voor mij peren ging plukken met een speciaal netje. Het was mooi weer en ze liep haar blote voeten. Ze rekte haar lichaam door haar voet te buigen om zodoende op haar tenen te kunnen staan en om bij de peren te komen die hoog in de boom hingen. Ik hoorde iets sappigs en zag iets tussen haar tenen omhoog komen. Ze hebben twee honden moet u weten. Maar Vali lachtte en riep toe: nee, nee! Dat is het niet, het is een rotte peer. En ze had gelijk. Ik had het kunnen weten want het sappige geluid klonk toch heel anders. Maar goed, de Kakmadam scant dus met de ogen waar eventueel de hondenkak kan liggen. Met de rechterhand, dus met reubberhandschoen en plasticzak, pakt zij de hondenkak en stopt die in het openhangende tasje aan de linkerhand. Wat een vies werkje zult u denken. Welnu met drie honden moet dat wel en met een schepje is misschien frisser (dat denkt u dan) maar daar heb je dan twee handen voor . Eentje voor de schep en eentje om de drollen op de schep te schuiven, omdat die natuurlijk nooit in één keer opgeschept kunnen of willen worden. Eerlijk gezegd heb ik veel mogelijkheden uitgeprobeerd en deze versie met de twee handschoenen en de plastic tasjes, is voor mij de beste manier. Dit moet dan ook elke dag. Want als je zoiets maar één keer in de week doet wordt die hele binnentuin natuurlijk een glijbaan en dan ook nog eentje die verschrikkelijk stinkt. Normaal gesproken heb ik van die stank niet zoveel last, het zijn tenslotte mijn eigen honden. Anders is dat met iemand anders hond.

Dat moet ongeveer twee jaar geleden zijn, want het was in de winter. Het was koud, het regende en de wind waaide alle kanten op. We liepen in het centrum van Pécs met een hond aan de riem. Niet onze hond maar van bekenden die iets bijzonders moesten doen waarbij de hond niet welkom was. De hond kan ook niet tegen alleen thuis zijn, dus wierpen wij ons op als opvangouders. Nu lopen wij nooit met onze honden in de stad en al helemaal niet aan de riem. En ik had mijn nette jas aan en daarin heb ik nooit rubber handschoenen en plastic tasjes, zoals in mijn slobberjas voor in de tuin. Maar gelukkig heb ik wel altijd papieren zakdoekjes bij me. Helaas waren dat er tijdens deze wandeling in het centrum van Pécs maar twee. De hond, echt een schatje hoor, wandelde gezellig naast ons en het koude en natte weer leek haar niet te deren. Tot de riem ineens strak trok. Ik keek om en zag haar die duidelijke kakhouding aannemen. Ik probeerde haar mee te trekken, een beetje meer naar de zijkant waar een opengewerkte putdeksel was. Nu was het die dag helemaal niet druk op straat behalve op dat moment dan. Ineens liepen er heel wat mensen die ook diezelfde kakhouding zagen. We waren dus gezien en moesten daarom zeker wel handelen en alles weghalen. Het gevolg was een inmense drol voor zo’n klein hondje. Of in ieder geval te groot voor twee papieren zakdoekjes. En dan komt het verschil met eigen hond en iemand anders hond. Daar waar ik thuis mijn hand niet voor omdraai, daar moest ik me nu inhouden om niet te gaan kokhalzen. Maar gelukkig was de wind fris en kwam ik snel weer op adem. Met afgewend hoofd bracht ik de volle papieren zakdoekjes naar de dichtsbijzijnde prullenbak. In mijn tas vond gelukkig nog een paar gebruikte zakdoekjes. Niet heel fris, maar altijd nog frisser dan dit met de hand te moeten doen. De hond liep weer dartel mee, alsof er niets gebeurd was. Maar op een afstand keken de mensen wel toe of ik alles weggehaald had. Bij het café, waar honden wel welkom zijn, rende ik eerst naar het toilet om mijn handen grondig te wassen. Niet dat ze heel vies waren maar wel voor de zekerheid.

Mijn taak is niet alleen de honden, maar ook het kippenhok. Ik vraag mij ook ineens af hoe ik ooit aan deze taaktoebedeling ben gekomen. Maar ik kan u verzekeren dat kippen er ook wat van kunnen, van dat kakken. En natuurlijk draai ik mijn hand ook niet om om thuis ook de wc nog schoon te maken.

Kakmadam. Ik kan me nog steeds niet vinden in die bovenste beschrijving. Ik geloof dat ik Van Dale maar eens aan ga schrijven voor een nieuwe omschrijving van dit woord. Wie weet wordt het volgende jaar wel woord van het jaar. Maar dan in de nieuwe betekenis.

Míp.

En nee, dit keer maar geen foto’s erbij.

Achter een kneuzing zit soms toch een heel verhaal.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Ik pakte de warme pan, plaatste die op de onderzetter, roerde de saus nog even door en liet de gootsteen volstromen met koud water om de pan af te laten koelen. Met ovenwanten, omdat de oren nogal heet waren, nam ik de pan op. Die voelde zwaarder dan verwacht. Maar tijdens het moment dat de pan in de gootsteen geplaatst zou worden, werd die ineens lichter. Eerst een doffe klap, daarna het geluid van uiteenvallend gesteente. Ik sloot mijn ogen en zag een sterrenhemel opdoemen. Zelfs de melkweg was in haar geheel zichtbaar. Daarna een schreeuw, een vloek en nog een schreeuw. Hevige pijnscheuten terwijl een heel piepklein sneetje zichtbaar was. Maar niets was minder waar. De antieke tegel, jaren geleden cadeau gekregen van Simon Winterman, die sinds die tijd dienst deed als onderzetter op het aanrecht, was aan de pan blijven plakken en had tijdens de vlucht naar de gootsteen losgelaten. Eerst op mijn grote teen en was daarna op de stenen vloer in stukken uiteen gevallen.

Hans bekeek mijn voet, zag geen bloed maar slechts een kleine beschadiging aan de huid. Ach, even omhoog zitten dan gaat het morgen beter sprak hij hoopvol. Maar de teen werd blauw en liet een behoorlijke zwelling zien. Gekneusd. Nooit geweten dat een gekneusde teen je nachtrust verziekt, maar erger nog, dat je er niet mee kan lopen. Ik besloot om rust te nemen, extreme rust, iets dat in mijn geval toch best uitzonderlijk te noemen is. Languit op de bank, twee kussens onder de voet, de pijn gesust door paracetamol, iets dat in mijn geval ook uitzonderlijk te noemen is, die paracetamol. Na een dag had ik het wel gezien daar op die bank. Maar het werd niet minder. Een vriendin schreef: smeer er cbd-olie op! Nu wil ik best veel toeschrijven aan cbd, maar een gekneusde teen leek mij toch wel wat ver gaan. Maar toch deed ik het en verdomd, de zwelling stopte met zwellen en de donkerblauwe plek verdween. Natuurlijk was de kneuzing niet weg, maar zeker wel beter te verdragen. Schoenen kon ik niet verdragen maar Crocs wel. Die foei lelijke Crocs werd mijn schoeisel voor de komende tijd.


Het lopen ging nog steeds niet goed en daarom besloot ik de krukken van Hans (voor zijn gebroken voet, gebroken middenvoetsbeentje en enkele kneuzingen aan zijn enkels) te gebruiken. In het Hongaars mankó genoemd, nou dat dekt de lading wel. De krukken en ik bleken geen goede combinatie. Mijn motoriek kon de tegengestelde bewegingen niet aan waardoor ik voorwaarts of achterwaarts ter aarde dreigde te storten. Dus zette ik steeds mijn voet bij om dit alles te voorkomen.

Er waren verschillende redenen waarom ik zo snel mogelijk weer op de been wilde zijn. Ten eerste, omdat er nog kilo’s tomaten van het land moesten en daarna gelijk verwerkt moesten worden. Dat was ook wat in de pan zat waar de onderzetter onder bleef hangen. Tomatensaus. Ten tweede lag plotseling mijn fietstraining stil. Het was nu al half juli en voor half augustus moest ik toch echt mijn schema klimmen en dalen in de benen hebben om straks zonder al teveel spierpijn, en natuurlijk zadelpijn, de rit van 200 kilometer van Pécs naar Gyugy tot een goed einde te brengen. En als laatste houd ik niet van mankementen. Met die foei lelijke Crocs was het eigenlijk best te doen. Het lopen dan. En zodoende konden mijn werkzaamheden gewoon doorgaan, zij het met slepend been.

Een piepklein deel van de opbrengst. Maar wat een heerlijkheden.

Ik liet mijn voeten in mijn sportschoenen glijden. Trok de veters stevig aan. Wel gevoelig maar zeker niet pijnlijk. Zette mijn voeten op de pedalen en reed naar het dichtsbijzijnde dorp. Dat is maar drie kilometer. Eenmaal daar bedacht ik dat ik best wel wat verder kon en reed nog eens twaalf kilometer extra. Maar eenmaal aangekomen bij een bankje leek een hele gereedschapskist zich in mijn schoen te bevinden. Hamer, zaag, priem en nijptang waren de namen die zo in mijn hoofd opkwamen. Nu nog vijftien kilometer terug. Normaal gesproken een peulenschil. Nou ja, kiezen op elkaar en gaan met die banaan. Maar onderweg doemde vreselijke dingen in mijn hoofd op. Zou ik moeten opgeven? Zou ik moeten vertellen dat mijn grote teen (hoeveel is dat van het menselijk lichaam?) niet mee wilde werken en dat ik daarom niet zou kunnen deelnemen aan deze fantastische fietsrit? Ik wilde er niet aan denken maar het liet mij niet los.

Ik bleef wel fietsen, maar steeds kleine stukjes. Soms alleen, soms met Hans. In de morgen in al vroegte als de zon zich nog van haar zachte kan liet zien. Wel warm maar zeker niet te heet. Hans’ advies om dit jaar maar gewoon te laten schieten knaagde aan mijn geweten. Onderwijl kwamen er gezellige appjes binnen van Ron en Arwen, die waren in Frankrijk aan het rondtouren. Ze zochten de niet toeristische plekken om te wandelen. Tussen de regels door dacht ik te begrijpen dat ze toch wilden proberen onze kant op te komen. Maar, bedacht ik, als er iets mis gaat met het virus zijn ze vanaf die plek in een dag weer thuis, dat leek me toch veiliger. Tot begin augustus een app binnenkwam. Het geluid op mijn telefoon van de app klinkt als een soort springveer. Een geluid dat Hans nog weleens kan ergeren terwijl ik er juist heel vrolijk van word. Ik keek op mijn scherm en lachte. Of we morgen thuis zijn zei ik. Ze blijven maar een week. Nu werd Hans toch ook ineens vrolijk van die irritante springveer. Want er moest nog even heen en weer geschreven worden. Die tekst ging meer over blijdschap van beide zijden dan andere inhoudelijke boodschappen.

Het was een heerlijkheid om hen weer in de armen te sluiten, al was het maar voor een week. De hitte van augustus gaf niet veel ruimte voor klussen. Maar was dat erg? Welnee. Voor deze week was er ruimte voor andere dingen zoals zwemmen en…… fietsen. Arwen is eigenlijk geen fantiek fietser. Maar ja, ik was ook nooit een fanatiek lange afstandloper en noemde dit ooit de meest walgelijke manier van voortebewegen, tot ik met Arwen mee ging lopen voor haar training voor de vierdaagse van Nijmegen. Toen was ik de pineut, want het bleek helemaal niet walgelijk maar juist heerlijk. Hans’ fiets werd op de maat van Arwen versleuteld. En zodoende fietsten wij gezamelijk de kilometers weg. Heerlijk was het maar de zadelpijn gooide toch roet in het eten. Nog één keer zou ik een moeilijke rit maken met klimmen en dalen en dan zou mijn besluit vast staan. Gaan of niet?

Het was op een zondag. Ik nam de klimmen in een hogere versnelling, zodat de voeten extra hard met de pedalen moesten werken. Ik fietste met de versnellingen steeds hoger waardoor elke heuvel en elk stuk vals plat steeds zwaarder werd met de hitte van de zon op mijn rug. Mijn besluit werd op die dag genomen. Niets of niemand zou mij meer tegenhouden. Zelfs geen gekneusde grote teen. En het was ook die dag dat Hans besloot zich bij mij aan te sluiten.

Niet ver, wel pittig.

Deze gedachten kwamen een paar dagen geleden ineens op in mijn hoofd toen ik tijdens het wandelen met honden over de akkers mijn grote teen ineens weer voelde. .De ondergrond zompig en onregelmatig waardoor mijn laarzen een extra plateauzool kregen. Het weer was guur en nat. De reden dat kneuzingen vaak weer opspelen. En, bedacht ik, achter een kneuzing zit soms toch een heel verhaal.

Míp

Zij mochten natuurlijk wel dicht op elkaar.
maar op de zonneweide bij het zwembad, natuurlijk wel 1,5 meter afstand.

In het land der blinden is éénoog koning.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Het was aan het begin van dit jaar. Het was koud en de mist bewoog in langdraderige slierten over de akkers. Het was het die dag eigenlijk niet echt licht geweest. Eerst hadden we dan laaghangende bewolking en nu deze opkomende mist. We reden naar Siklós voor een afspraak in dezelfde winkels als we de week tevoren ook al geweest waren. Ondanks het deprimende weer waren we in heel goede stemming. We reden naar een opticien waar vandaag een oogarts aanwezig zou zijn. De afspraak was om drie uur en we waren ruim op tijd.

De afspraak was tot stand gekomen, omdat Hans die week ervoor zijn ogen had laten testen om een nieuwe bril aan te laten meten. Dat was hard nodig, omdat het oude montuur de afgelopen tijd wel vijf keer was gebroken op de breuk die daarvoor al was ontstaan door een liefdevol gevecht met Beau. Beau raakte zo enthouiast dat hij Hans de bril van zijn neus sprong en het montuur daardoor niet meer één geheel was, waardoor je het een bril zou kunnen noemen. Met lijm werd een tijdelijke oplossing gevonden, maar niet die oplossing die we voor ogen hadden. Het montuur had niet meer die stabiliteit als daarvoor en gleed daardoor regelmatig van Hans’ neus, viel op de grond, daarna een hardgrondige vloek en weer daarna verdween hij het huis in om met lijm en klemmen het glas weer vast te zetten. Al twee keer eerder reden wij naar een opticien. Die kregen zijn ogen niet scherp waardoor hij alles dubbel zag. Ook bij de opticien waar we een week eerder waren kwam hetzelfde euvel tevoorschijn. Dubbel, alles dubbel. De oogmeetster kwam er niet uit en maakte een afspraak voor Hans met de oogarts die die dag naar de opticien in Siklós zou komen.

We liepen naar de winkel in een straat met winkels, want een winkelstraat kun je deze straat niet noemen. Eerst een rare opstap op twee verschillende treden, daarna een deur die schuin opengaat. Met een handicapje moet je daar niet komen, geen mogelijkheid dat je er binnenkomt. We stapten binnen en konden onze ogen niet geloven. Vol, tjokvol met mensen. Overal werden stoelen vandaan gehaald om het de klanten zo confortabel mogelijk te maken. Nee, het virus was toen nog niet in het land. Of we wisten het nog niet. De deurbel bleef maar rinkelen. De ramen van de etalge begonnen langzaam dicht te trekken van de vochtige uitademing van zoveel mensen tegelijk. De oogmeetster nam elk nieuw persoon op en druppelde meteen de ogen vol met een goedje, waardoor het zicht meteen vertroebelde. En iedereen die binnen kwam was hier om door de oogarts onderzocht te worden. Oogmeten vraagt veel tijd en zo konden we berekenen, mits iedereen zich aan de tijd hield, wij rond acht uur die avond aan de beurt zouden zijn. Ik keek naar Hans die misschien wel het meeste vocht afscheidde in deze winkel. Om het op zijn zachtst te zeggen gaat zijn voorkeur niet uit naar lang wachten en zeker niet naar zoveel mensen die hem voor moeten gaan. Er ontstond een dillema. Ik ben nachtblind en in het donker met de auto ben ik een attractie op de weg. We besloten even naar buiten te gaan om een sigaret te roken. Maar éénmaal buiten bleek de mist toch sneller op te trekken dan het er eerst uitzag. Maar ook de avond begon al in te vallen. Even opperde ik een hotel te nemen, maar de honden en katten hadden nog niet gegeten. De kippen zouden dan wel vanzelf naar hun nachthok zijn gegaan, maar de deuren daarvan moesten ook gesloten worden om roofzuchtige dieren buiten te houden.

Hoe is het met je zicht? Vroeg ik Hans. Goed zei hij en startte de auto. Het werd rijden op de tast. Potdicht. Maar gelukkig op een weg met heel weinig of geen verkeer. Éénmaal thuis verklaarde hij zijn voorzichtige rijstijl. Zijn zijn ene oog had best redelijk zicht, maar het andere oog was nog steeds troebel. Maar, sprak hij monter, mijn zicht is toch beter dan jouw nachtblinde ogen. Tja, in het land der nachtblinden is éénoog dus ook koning. Heel fijn, maar nog steeds geen goede oogmeting en daarmee nog steeds geen nieuwe bril.

De huisarts verwees naar de oogarts hier in het gezondheidscentrum. Afspraak in maart. In maart bleek de oogarts geen ogen te meten vanwege het virus. De afspraak werd verzet naar mei, maar ook die ging niet door. En de bril bleef maar vallen en de lijmlaag werd steeds dikker waardoor op het brillenglas een soort blinde vlek ontstond. Eindelijk, half augustus kon Hans terecht bij de oogarts. Ze bekeek zijn ogen met een lampje. Ondertussen kwamen de vragen welke ziektes Hans onder de leden had. Ik vond het vreemde vragen maar gaf keurig de antwoorden. Nee,, geen hoge bloeddruk. Nee, geen suikerziekte. Nee, geen verhoogd cholesterol. En toen rolde de aap uit de doktersjasmouw. Zij onderzoekt alleen ogen van mensen die iets mankeren, zodat ze daarvoor aangepaste medicatie kan geven. We konden weer gaan, maar niet voor zij een optie gaf voor een wel héél erg goede opticien in Pécs. Met naam en telefoonnummer reden we weer naar huis, de zonnige warmte tegemoet.

Ik belde. Een zachtaardige stem. Een vrouw. In welke taal? Dat was haar vraag. Hongaars, zei ik. Toen dacht ik aan het oogmeten en welke specifieke vragen daarbij komen. Duits? Was haar vraag. Dat is goed, want Hans’ Duits is beter dan zijn Hongaars. Over twee weken? Komt dat uit? En ja, dat kwam ons zeker uit.

We reden naar Pécs en vonden de opticien in één van de zijstegen die de hoofdstraat rijk is. Niet makkelijk te vinden, maar daarentegen met een handicapje heel makkelijk te bereiken. Eerst handen ontsmetten, buiten. Maar toch niet echt buiten want de steeg is overdekt en dat is bij zowel warm weer als koud en regenachtig weer heel fijn. We stapten de winkel binnen. Fijne sfeer. Aardige vrouwen. Mooie collectie. Daarna kwam een rijzige man tevoorschijn. Aardig, geen ander woord, zo aardig allemaal. En allemaal brildragend. De man bood zijn elleboog aan als teken van welkom. Welke taal? Hans maakte zijn altijd grappige grap. Spaans, Engels, Frans, Italiaans. Frans zei de rijzige man. Als het u uitkomt. En toen ontstond er iets heel bijzonders. Beiden moesten nu in een vreemde taal spreken en beiden deden hun best om helder te spreken en goed te luisteren.

De oogopmeetruimte is naast de winkel en geluiddicht. Professionele aparatuur. Meten en meten en nog eens meten. Eerst het linker oog, toen het rechter oog. Alles perfect. Toen de beide ogen bij elkaar. Dubbel. Ik zie dubbel zei Hans. Aha, sprak de rijzige man. Dit probleem ken ik. Dit heb ik zelf ook. Hiervoor moeten we een andere meting doen en daar moet ik ongeveer een uur uittrekken. Een blik in de agenda gaf een datum van anderhalve week verder.

Op de afgesproken datum was een uur gereserveerd. Maar het liep iets uit. De vrouw van de rijzige man was erbij voor extra controle. Qua taal dan. Zij spreekt goed Engels en Duits en natuurlijk Hongaars. Het meten kon weer beginnen. Maar het duurde en duurde tot het moment “sein meester” werd gegeven. Het dubbel zicht probleem was opgelost. Het nieuwe montuur werd uitgezocht en daar bleek nog een verrassing achteraan te komen. Als Hans nog een montuur zou kopen, dan zou hij de glazen voor die tweede bril gratis krijgen. Altijd welkom zo’n extra bril, gezien de breek ervaringen van afgelopen anderhalf jaar. Alles werd in orde gemaakt, een kleine aanbetaling gedaan en daarna werd het wachten op het verlossende telefoontje dat de brillen klaar waren.

Dat duurde drie en een halve week. Maar dat is niet lang als je al zo lang wacht op de juiste meting en de daarbij passende bril. Hans was helemaal vrolijk want zijn oude bril was in die tussentijd nog dichter geslibt van de lijm door steeds weer nieuwe breuken. Iedereen keek toe. Hans zette de bril op en moest lezen van groot naar klein. Groot ging goed, heel goed zelfs. Kleiner ook nog wel, maar nog kleiner niet. Hij was niet helemaal tevreden, maar en dat wordt wel vaker gezegd, je moet wennen aan een nieuwe bril. Geef het een week. Maar na een dag trof ik een ongelukkige man. Hij kon het gewoon niet goed zien. Rechts wel, alles goed, maar links was helemaal niets. Terug naar de leuke opticien, waar ze helemaal verbaasd maar toch ook heel lief waren. Ogen opnieuw meten. Het euvel werd snel gevonden het rechter glas was niet goed gezet. Geen probleem. Nieuwe glazen worden besteld en we bellen als die er zijn.

Drie weken later waren de nieuwe glazen er. Hans keek, las, wandelde even over straat en zei:. Nog steeds niet goed. Oké gewenning, even een weekje proberen en zien of het dan op orde is. Maar het kwam niet op orde. Weer nieuwe meting. En iedereen nog net zo aardig en zoekend naar wat er fout had kunnen gaan. Nogmaals ogen meten. Bril meten. Het klopte niet. Bril weer inleveren en wachten tot de nieuwe glazen er weer waren. Ondertussen kon hij zijn oude bril niet meer dragen, omdat de ogen nu gewend waren aan de nieuwe bril.

Hoe gaat het met je ogen? Goed zei Hans. Stak de auto achteruit naar het hek van ons huis. Oeps! Zei ik nog. En toen hing het achterwiel van de auto boven de greppel die langs het pad naar ons huis loopt.. Oeps! Zei ik nogmaals, ogen toch niet helemaal goed. Gelukkig hebben we de bus nog om de auto weer vlot te trekken. En zo gebeurde. Hans regelde touwen, ik bleef in de auto voor het benodigde stuurwerk en zo kwam alles toch weer goed. Behalve die bril dan.

Gisteren, 3 december 2020, kan ik u melden dat zich tot mij wendde een heel gelukkige man. Na anderhalf jaar meten en passen is het gelukt! De bril is goed! De oogcorrecties zitten op de goede plaats. Het oude, ongeveer dertig keer gebroken montuur, ligt in de vuilnisbak.

Tja, in het land der blinden is éénoog Koning. Maar liever heb ik toch een man met twee goede glazen. Hij is vrolijker en ziet mij eindelijk weer zitten.

Míp.

Kijk eens hoe blij!

En dat is dan bril twee. Ook die maakt hem héél gelukkig!

Naargeestig.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Het bleef in mijn hoofd hangen toen ik één (ik heb er vijf) van mijn zussen dit woord schreef. Je kunt er ook twee woorden van maken. Deze tijd is naar en zeker niet geestig. Het woord geestig vind ik zo’n leuk woord. Het is een leuker woord dan grappig bijvoorbeeld. Althans dat vind ik. Als ik een goede grap maak vind ik mijzelf heel geestig, hoewel mijn omgeving daar natuurlijk soms anders over denkt.

Kippen bijvoorbeeld vind ik geestig, hanen aan de andere kant vind ik weer naar. Maar het weer dat ons de laatste tijd in de ban houdt is weer naargeestig. Kijk, is het woord ineens weer aan elkaar geplakt.

Het woord bleef ook hangen, omdat ik bedacht dat sommige woorden niet meer gezegd of geschreven mogen worden. Onze schoonzoon Regi die de bijnaam Beer draagt, een naam die hem past als een mooie berenjas, de vader van ons prachtige kleinkind Milan (ook zo’n heerlijke beer en ondertussen groter dan Hans), is van Surinaamse afkomst. Een mooie vrolijke man. Een goed mens. Hij is kok. Hij werkte in de keuken van onze stamkroeg. Hans stond mij op te wachten op het terras. Ik kwam aanfietsen en zag Regi in de opening van de keuken staan. Ik riep Hans toe: Er staat een n….er in de keuken! Kom, laten we hem gaan zoenen! De verontwaardigde gezichten van de stamgasten op het zonovergoten terras liet ik met een brede grijns achter me. Regi opende zijn armen en begroette Hans en mij in één keer en schaterlachtte om mijn opmerking. Die opmerking kan nu niet meer, maar toen vond ik hem zelf héél erg geestig.

Een woord dat ook niet meer kan is m..rkoppen. Welnu, er is in de vriendenkring een hele geestige vriendin. Simone Ten Bosch. Zij is kunstenaar te Den Haag en wij ontmoetten haar in 2008 hier in Hongarije toen zij op Post 15 (arstist in recidance, een intiatief van Elizabeth de Vaal) zich omringde met allerlei lapjes. Die lapjes werden uitgedeeld aan Hongaarse vrouwen, die op hun beurt weer die lapjes mochten borduren of schilderen of andere dingen die je maar kunt bedenken wat je met zo’n lapje kunt doen, als het maar de afmeting behield. Van die lapjes maakte Simone haar project: De Hongaarse Rok. Er was haast met de rok, dat wel, want hij moest op 8 maart klaar zijn voor de presentatie in Pécs. Op Vrouwendag. Het werd een fantastisch project. Szilvia, buurvrouw van Post 15, was de draagster van de Hongaarse Rok, inclusief bijpassend hoofddeksel. Andere meiden, waaronder ook ik, droegen creaties van Simone”s voorgaande projecten. Het weer was naargeestig, met veel regen en wind. Maar het projet was zo geestig met al die vrolijke rokken met bijpassende hoofddeksels, dat het geen vat op ons kon krijgen. Ik kijk er nog steeds met heel plezier op terug.

Simone Ten Bosch. Zo’n geestige vrouw. Creatie: Simone Maria Ten Bosch. Foto: Hans Molenkamp

Szivia in de enige echte Hongaarse Rok. Creatie: Simone Maria Ten Bosch. Foto: Hans Molenkamp.
De Wereld Rok. Deze zou niet door mij worden gedragen op Vrouwendag,. Dit was een dooorpas moment. Creatie: Simone Maria Ten Bosch. Foto: Hans Molenkamp.
Mijn Vrouwendag 2008 Rok. Inclusief stekelvarkenhoed. Creatie: Simone Maria Ten Bosch. Foto: Hans Molenkamp.
De voorbereidingen, net voordat we de regen in zouden stappen. Szilvia op de voorgrond die kapstok kom niet uit haar hoofd. Naast mij Szivli, de dochter van Silvia. Creaties: Simone Maria Ten Bosch. Foto: Hans Molenkamp.
Geestige kledij. Vrouwendag 2008, het was geen dag waarop veel mensen de stad introkken. Het weer was te naargeestig. Creaties: Simone Maria Ten Bosch. Foto: Hans Molenkamp.

Het was in juli van dit jaar. Een snikhete dag die we voor het overgrote deel in de schaduw doorbrachten. De postebode liet zijn posthoorn klinken. Hij had een envelop die niet in de brievenbus paste. Op de envelop een prachtig herkenbaar handschrift waarmee onze beider namen geschreven stonden. De inhoud: twee foudraals, eentje lila, eentje groen. Met bijpassende zijdeachtige strikken om het foudraal gesloten te houden. In de foudraals twee handgemaakte mondkappen met daaraan een oranje label met de tekst: Simones smoorkappen. Voor een naargeestig product, in een naargeestige tijd en dan juist zo’n geestige naam.

Míp

Smoorkappen, wie verzint dit? Zo Geestig! Creatie: Simone Maria ten Bosch. Selfie: Hans Molenkamp.

Bence or Beyoncé, that is the question.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

We hebben drie honden. Beau, Sissi en Bence. Alle drie van de border collie familie. Beau en Sissi zijn stokharig, dat wil zeggen dat de haarstijl redelijk stijl en kort is. Bence heeft meer de vacht van onze voormalige border collie Pip. Je leest natuurlijk al het verschil. Stokharig en vacht. Bence heeft een lekkere volle langharige kroelvacht. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat de andere twee niet kroelbaar zijn maar het is meer de uitleg voor de vacht die hij alle seizoenen met zich mee draagt. Of waarmee de stofzuiger dagelijks gevuld kan worden, dat natuurlijk ook.

Zo ergens in juni begon de temperatuur al meer dan zomers te worden. Heet, dat was het. En als er hitte is moet er water gegeven worden. En als er water gegeven wordt is Hans altijd de pineut. Hij sleept met vele tientalle meters tuinslang met aan de kop een waterpistool. Twee hondenkoppen steken om de hoek. Hoor ik daar een waterpistool? En ineens staan ze recht voor hem, kijkend naar de waterstraal. Dan bijtend naar het water. Ik hoor een lichte irritatie in Hans’ stem. Nee Beau! Niet nu! Bence! Ook jij niet! Ik bekijk het vanaf een afstand, samen met Sissi die het ook niet zo op waterstralen heeft. Beau en Bence zijn ongeduldig en weten net als ik dat als ze volhouden Hans zich binnen enkele minuten over zal geven aan de waterdrift van deze twee doordouwers.

Ik besluit weer verder te gaan waar ik mee bezig was en als ik me omdraai hoor ik nog net: Nou kom maar op dan stelletje drammers! Ik hoor Sissi met haar hoge blaf als ze iets niet uit kan staan en hoor twee hondenbekken gelijk twee castagnetten klakken. Bijna in de maat. Het waterballet van alle dag in zomertijd.

Beau is altijd onze springhond geweest. Gek op de zomerse buitendouche of elk ander water, als het maar een straal is. Pip vond het leuk om ermee te vechten maar van springen kon geen sprake zijn en Sissi vond het maar beter om op afstand te blijven. Blijft wel dat Pip onze beste langharige frisbeehond was en Sissi onze allerbeste stokharige frisbeehond is. Beau is redelijk met frisbees. Je roept hem, houdt de frisbee omhoog, Beau rent weg, neemt meestal de struik als afslag om dan in de houding tevoorschijn te komen waarna dan pas de frisbee gegooid kan worden en dan nog vaak mist hij de frisbee. Maar hij weet in ieder geval de frisbee is gevallen en brengt hem dan vol trots terug. Bence vindt frisbees interesant. Nou ja, voor een minuut dan. Hij vangt een paar keer, laat de schijf uit zijn bek vallen en gaat vervolgens zijn neus achterna. Mits…de frisbee hoog gehouden wordt. Dan gaan alle prikkelende prikkels open. Hij neemt een aanloop en springt zo hoog dat je armen en benen in bescherming moet nemen. Hij gebruikt namelijk de benen als springplank naar dat wat daar hoog boven je hoofd naar hem lonkt. Dan is hij niet te stuiten.

Maar terug naar het waterballet. Ik hoor altijd aanmoedigende termen van Hans. Zoals: kom op! Hoger! Je kan het! Circus Ellenboog! En dat is niet tegen dovenmans oren. De vliegende Panters zijn er niets bij vergeleken. Maar toch, op deze hete zomerdag in juni wilde Bence iets bewijzen. Hij is de jongste, hij is de kleinste en als het moet laat hij ook merken dat dit zo is. Onderdanig is daar een mooi woord voor. Maar dit keer leek hij door alle barriéres van de protocollen in de hondenwereld heen te gaan. Het viel Hans ook op en hij vroeg me te helpen. Hans haalde zijn fotocamera en ik bediende het waterpistool. Zijn sprongen werden hoger en sierlijker. Alsof hij door een groot publiek op handen gedragen werd. Zijn performance bleef niet onopgemerkt bij Sissi en Beau. Met vier poten tegelijk stonden zij als aan de grond genageld. Afguntig en respectvol tegelijk. En ik dacht alleen maar: naar wie kijk ik? Bence or Beyoncé? That was my question. Fijne vraag zo op een kille grijze novemberdag.

Míp

Zie jij wat ik zie Sissi?. Zo hoog?
De andere twee totaal buiten beeld gesprongen. Wat een sierlijkheid.
Beau doet nog een poging, maar moet zijn meerdere erkennen.
Even de baas checken of ik er goed op sta.
A flying dog, can you see?

Bence! Wie heeft jou opgelaten? Waar zit het touwtje?
Respect Bence! Dit doe ik je echt niet na.
Op naar het einde van de show.
Nog eentje voor jou dan Beau
En de afsprong. Einde van de show. Dank u voor het applaus!

De wandelgang.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Het was de laatste dag van mei. We vertrokken richting het dorp waar de groep samen zou komen. Nog voor wij ons eigen dorp verlieten werden we aangehouden door onze burgemeester. Hij stond midden op straat en zwaaide met beide armen om ons tot stilstand te manen. Hij stak zijn hoofd door het openstaande raam en legde zijn arm op de raamstijl. Ik lag bijkans op Hans’ schoot om het spervuur van zijn woorden zoveel mogelijk te ontwijken. Misi, alsjeblieft! Een beetje meer afstand riep ik hem in halfliggende houding toe. Hij lachtte en maakte met zijn arm het bekende wegwerpgebaar. Ach, dat virus, niets aan de hand sprak hij, terwijl hij zijn hoofd iets meer terugstrok. We stapten uit, hielden nu de nodige afstand, zodat hij zijn bijna niet in te houden vraag kon stellen. Het was eigenlijk een oude vraag van misschien wel acht jaar geleden waar de vorige burgemeester niets mee gedaan had en waar wij nu ook niets mee konden doen, omdat het antwoord op die vraag in het najaar gedaan moet worden. Het planten van wilgen.

We reden verder richting onze bestemming. Het weer werd slechter. Dat wil zeggen dat er bakken regen in de maak waren. Dondergrijs en gruwel, zo zag het eruit. Onderweg zagen we ze lopen. Met poncho’s en regenjassen. We keerden de auto, boden palinka aan en een zak vol stroopwafels. Het was een fijn weerzien want de meesten van deze groep hadden we oudejaarsavond voor het laatst gezien. Ze zagen er vermoeid uit en dat kan natuurlijk niet anders want ze waren al voor de vierde dag onderweg. De volgende dag zou de laatste wandeldag worden. Dan hadden zij er circa 175 km opzitten. En die laatste dag zou ik de resterende 25 km meelopen, onderweg naar de herdenkingsplaats van Bence. Ik had best wel wat geoefend, maar omdat Arwen er niet was in het begin van mei is het nooit tot een echte training gekomen. Zo gaat dat. Alleen doe ik best veel maar met Arwen zoek ik toch eerder de randen van mijn kunnen op.

De avond brachten we door in een groepsvakantiehuis. In dit huis was plek genoeg voor iedereen. Veel kamers en heel veel bedden, zodat slapen geen grote virusproblemen zou geven. Ik had chocolade taart gebakken, omdat ik wist dat ik daarmee veel liefde op mijn hals zou halen. Die ervaring had ik op ouderjaarsavond opgedaan en dat was een prettige ervaring. Maar die taart werd niet aangesneden die avond. Vali had een prachtige taart besteld waarin alle symbolen van Bence verwerkt waren. Het zou die dag zijn 19e verjaardag zijn geweest. Er werd gezongen, gehuild en daarna toch weer gelachen om de verhalen die opgehaald werden over jonge Bence. Een mooie vriendengroep.

De volgende morgen het ontbijt. Ontbijten met Hongaren is toch bijzonder. Daar waar wij yoghurt met muesli en honing eten, eten zij zsiros kenyér, een boterham gedoopt in een pan waarin het vet waar de avond ervoor de worsten in zijn gebraden. En een voorraad aan eieren en spek genoeg voor een bataljon.. De chocoladetaart werd aangesneden en in stukken verdeeld en meegenomen in de knapzak voor die dag. Zodoende ontving ik nu een hele dag liefde, iets dat ik best wel kon gebruiken bij die zware wandeling. Met nog zo’n 4 kilometer te gaan begon de lucht weer te betrekken. In de verte rommelde het. Bij 3 kilometer was het gedaan. Onvoorstelbare onweersklappen lieten mij ineen duiken, vooral omdat we net op open bospaden liepen. Toen kwam de regen. Hard en veel. Iedereen begon op zoek te gaan naar regenjassen en poncho’s. Maar voor de meesten van ons was het te laat. Doorwaternat binnen enkele seconden. Maar toch, vreemd genoeg kon het helemaal niemand deren. We liepen gewoon door en gingen verder met onze verhalen en soms net zoveel vragen. Ik ben dan wel de oudste van de wandelgroep, maar ben er ook het kortst bij. En iedereen is gezond nieuwsgierig en net zoals zij heb ik natuurlijk ook veel vragen. Zo leer je elkaar steeds beter kennen en ik kom er steeds meer achter in wat voor mooie vriendengroep wij terecht gekomen zijn.

De helling naderde. Vali plukte wilde bloemen, net zoveel tot ze een mooie bos had. Deze handeling herkende ik van vorig jaar. Die helling trouwens ook. Alsof je de laatste resten energie uit je lichaam moet halen om deze helling te beklimmen. En dan? Dan is er ineens dat vergezicht, het grasveld en het herdenkingsteken van Bence. Tranen vermengde zich met het stromende regenwater, waardoor een soort zee zout water langs de lippen stroomde. Hans ving mij op en bracht me naar de auto waarin een droge handdoek lag en droge (bijna warme) kleren. Ik stuurde Arwen een bericht: Ik heb het gehaald! En zij schreef terug dat ze eigenlijk niet anders had verwacht.

En nu, zo eind november moet ik alweer plannen maken voor een licht trainingsprogramma. Het liefst zou ik een flinke wandeling maken met één van de honden. Maar het virus houdt ons in de greep. Zeker vier besmettingen hier in het dorp, waaronder vriendin Brigi en de burgemeester en zijn vrouw. Je weet wel die man die dat weggooigebaar maakte. Hij schijnt zich niet zo goed te voelen. Over het wilgenproject zullen we het voorlopig maar niet hebben.

Míp.

NB: We hebben trouwens een uil op het balkon. Ik heb hem nog niet gezien maar wel gehoord. Ik vond ook stront en een uilenbal. Dit is geen grap. Maar als iemand hem mist in Nederland weet je waar hij zit en ik hoop niet dat hij blijft.

Vali en Zsuzsa. Moe en doorweekt, maar zeker voldaan.
Gyöngyi en ik. Hoewel ik een parmatigere foto van mezelf ken, wilde ik deze toch plaatsen. Hondsmoe en doorweekt maar toch heerlijk dat ik er weer bij mocht zijn.

Hok.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Het was begin mei van dit jaar. Door het virus wisten wij zeker dat wij deze periode geen bezoek zouden krijgen. Ron en Arwen, elk jaar present in de meivakantie, hoopten nog op een wonder, net als wij. Maar het wonder kwam niet. Ook andere vrienden, die wat later zouden komen zette een dik vet kruis door de afspraak. De mannen van de houtzaagclub, die samen met Hans tien kuub hout tot kleine porties zaagden en hakten, veegden de laatste spaanders bij elkaar als teken dat de klus erop zat. En ondertussen had ik een afspraak, een hele fijne afspraak.

Sinds twee jaar maken wij afspraken met mannen die iets kunnen. Loodgieters, electromonteurs en tegelzetters. Maar mannen die iets kunnen zijn druk. En mannen die iets kunnen zeggen altijd ja, maar bedoelen dan nee, omdat ze eigenlijk geen tijd hebben. Het wachten op mannen die iets kunnen hadden we al afgeleerd. Als ze niet komen op de afgesproken tijd weet je al dat ze helemaal niet komen. Tot er een klein wonder gebeurde.

De overbuurjongen kwam mij halen. Of ik even wilde kijken naar de nieuwe keuken en badkamer die hij cadeau had gedaan aan zijn moeder. Ik ken dat huis van binnen en werd dan ook zeer aangenaam verrast wat ik daar aantrof. Een prachtige keuken, mooi betegelde vloer, mooie wanden en fraai verlicht. Alles sfeervol. Toen werd ik meegetrokken naar de badkamer. Eigenlijk hetzelfde als in de keuken. Geen ander woord dan sfeervol. Op mijn vraag wie dit allemaal gedaan had stapte er een dikkige jonge man naar voren. Hij wees op een leuke half zigeuner jongeman. Wij hebben dit gedaan sprak hij met een lichte aragantie in zijn stem. Hebben jullie tijd voor nog een badkamer? Mijn stem sloeg er bijna van over. Ja, dat hadden ze wel. Niet nu maar over een paar weken zeker. Ik trok hen mee naar huis en liet het ons “hok” zien dat de naam badkamer droeg. Al jaren een grote ergernis waarvoor al lange tijd plannen en tekeningen klaar lagen. Ik zal u de details besparen, maar degenen die onze badkamer kennen weten precies wat ik bedoel. Een onoogelijk hok.

Daar wij in de loop der jaren al wat ervaring hebben opgedaan met aannemers, zouden we het dit keer anders aanpakken. Ten eerste konden we nu gebruik maken van onze ervaring en ten tweede was er geen taalbariere meer, omdat ik de taal ondertussen redelijk onder de knie heb. We namen alles door. Wat we wilden veranderen aan de opstelling, wat we weggewerkt wilden hebben en hoe de betegeling moest komen. Dat laatste alleen op plaatsen waar water stroomt: douche, wasbak en toilet. We spraken een prijs af, daarin verwerkt alleen hun werk dat bestond uit: slopen, water, electra, rolering en verwarming en natuurlijk weer opbouwen. Daarna kwam de tegelzetter waarmee we ook tot een overeenkomst kwamen. Eindelijk hadden we ze in huis, de mannen die iets kunnen.

Tien dagen was de berekening. En nu het toch mei was was het niet erg dat de verwarming werd afgekoppeld en dat we voor die tijd alleen water in de keuken hadden. Wassen kun je voor even best met een teiltje, of in het geval van Hans met een plantenspuit (overgehouden aan zijn woestijnreizen waar water schaars was). Voor het toilet hadden ook al een oplossing gevonden, dus geen probleem. Mannen die iets kunnen, kunnen veel. Maar wat mij toch wel is opgevallen, dat weinig van hen kunnen plannen. Toch geen kleinigheid als je een werk aanneemt en daarmee weken lang dagelijks over de tijd van de opdrachtgever gaat beschikken. Niet alleen de tijd maar natuurlijk ook de ruimte. Want buiten het hok dat badkamer heette namen ze ook de keuken, de aangrenzende kamer, de veranda en een groot deel van de binnentuin in beslag, waardoor je bijkans je nek brak over slangen, rioolbuizen en andere obstakels. Je wordt een horderloper in je eigen huis. Overigens geen slechte lichaamsoefening.

De sloop begon op 19 mei. De totale onttakeling van het hok ging eigenlijk redelijk snel. Alles moest vernieuwd, van waterleiding (die trouwens bij de minste aanraking uit elkaar viel, dus was best wel een beetje nodig) riool (dat helemaal omgelegd moest worden), alle electra en centrale verwarming. Het is mogelijk om hoopvol te worden van een enrome puinzooi. De vloer werd uitgediept en als je weet wat leem is weet je ook wat stof is. Ondanks dat we de aangrenzende kamers met folie hadden vergrendeld begon de stoflaag daar toch aan te groeien. En het werd ook nog koud, zeker voor de tijd van het jaar. De winterkleren waren nog niet allemaal ingepakt en dat kwam mooi van pas. Vooral dikke truien en sokken waren een veel gewild artikel in dit huis.

Doordat de planning niet al te vlotjes verliep moest de tegelzetter verzet worden. Maar toen die eenmaal kwam bleek dat hij was vergeten de vloer in het aantal vierkante meters te verwerken. Toch best wel fijn in een badkamer leek mij zo. Toen ook dit probleem was opgelost kon het werk weer verder. Mijn naam schalde veelvuldig door de ruimte, omdat ik de opzichter van dit werk was. Steeds als ze Hans iets vroegen wees hij naar mij en dus vroegen ze hem uiteindelijk niets meer. Ook op de vraag: Míp, waar is jullie andere toilet? Ik wees hem op het hek naar de achtertuin. Als je daar doorheen gaat loop je ongeveer nog 250 meter door tot het einde van de tuin. Daar kun je kiezen tussen de bosrand of linksaf slaan of rechtsaf slaan. Dat wij een andere oplossing hadden ging ik hem nu even niet vertellen. Al die tijd hadden ze er niet bij stilgestaan dat er helemaal geen tweede toilet was. Tja, mannen die iets kunnen kunnen natuurlijk niet overal rekening mee houden.

Het schoot allemaal niet op. Het lukte maar niet om ook maar één dag achter elkaar te werken. Steeds weer hoorde ik die auto starten en zag hen wegrijden op weg naar weer een één of andere winkel, omdat ze iets vergeten waren. Soms wel een paar keer op een dag. Nu moet je weten dat de dichtst bijzijnde winkels hier ongeveer tien kilometer vandaan zijn. En vaak hebben die winkels precies niet dat op voorraad wat je nu juist nodig zou moeten hebben. Dus bestellen of naar een winkel vijfentwintig kilometer verderop. Er begonnen scheuren te komen in mijn geduld. Geen haarscheuren maar echt diepe lelijke scheuren. Een stevig gesprek moest helderheid brengen. En dan komt het, iets zo typisch Hongaars. Zij konden er niets aan doen. Het was of de tegelzetter of de winkel of de auto of, als hij even buiten beeld was, de electromonteur. Maakte niet uit, maar zijn schuld was het zeker niet. Maar gelukkig sprak ik mijn woorden helder en duidelijk, er moest doorgepakt worden anders zou ik ze niet verder betalen.

Welnu, op 8 juni, 19 dagen later pakten zij hun spullen bij elkaar, legden die in de auto en voor de laatste keer reden ze weg. En dat was net op tijd. Anders had Hans hen bij kop en kont buiten de de deur gezet. Gelukkig voor hen heb ik hem dagen tegen kunnen houden, hoewel mij dat bijna meer energie had gekost dan de 19 dagen dat zij ons huis hadden overgenomen.

Het hok is nog steeds een hok. Maar wel een mooi hok. En ze hebben alle taken goed uitgevoerd en alle dingen weggewerkt die weggewerkt moesten worden. Ze hebben een grote ergernis bij mij weggenomen. Maar allemachtig nog an toe, wat was dat een opgave. En volgende week gaan we verven, dan is het hok helemaal af. Want dat was er nog niet van gekomen.

Míp

De sloop in volle gang.
De wederopbouw mét vloertegels.
Hans, met zij zelf gemaakte douche.

De rust is terug.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Weinstein en Trump waren hun namen. Het laat zich misschien al raden dat deze namen niet voor niets waren gekozen. Het geeft ook wel direct aan wat mijn gevoel voor deze twee was.

Normaal gesproken, als er meerdere hanen binnen een toom zijn, knokken die elkaar bijkans de hele dag de tent uit. Deze twee niet. Weinstein en Trump konden het juist heel goed met elkaar vinden. Zij kregen hun namen ook later, toen zichtbaar werd met welk karakter beiden behept waren. Nooit echt aardig tegen de kippen. Nooit eens lokken als er lekkere dingetjes te eten waren. Nee, alles zelf opvreten en wel zo snel mogelijk. Ze pakten hun kans toen op een dag onze liefste Bruno dood in het houthok lag. Wat zijn doodsoorzaak was konden wij niet ontdekken. Geen sporen van gevecht of beten van een één of andere onverlaat in de vorm van een marter of iets dergelijks. Helemaal niets. Maar sinds de dag van Bruno’s dood namen zij de toom in een vloeiende beweging over.

Het werd een nachtmerrie voor onze kippen, terwijl het gewoon op klaar lichte dag plaatsvond. Als één van hen zin had in een “lekker kippie” dreef hij haar in de hoek en bij tegenstribbelen kwam de ander even een handje helpen. De kip schreeuwde het uit, waardoor alle andere kippen alle kanten op renden en zich probeerden te verstoppen op plekken waar ze niet gevonden konden worden. Hardhandig grepen ze met hun harde snavel het kipje bij de nek, zette hun krachtige hanenpoten op de rug van het kipje en het verkrachtigsritueel kon beginnen. Om de beurt er overheen en misschien nog wel een keer. Vooral Oma, onze oudste krielkip, behoorde heel vaak tot het slachtoffer. Nooit heb ik een hekel aan hanen gehad maar deze twee, ik kon ze wel wurgen.

Dat laatste gebeurde met Weinstein. Eenmaal met z’n allen in het nachthok was het niet moeilijk. De twee arogante kwasten zaten naast elkaar op stok en zodoende kon Hans (want ik kan dat echt niet, sorry) met een lamp het hok in om de bruut bij zijn verenpak te grijpen. De dood volgde er al snel op. De volgende dag heb ik hem geplukt en ingevroren. Op de vacuumzak staat zijn geboortedatum en zijn sterfdatum vermeld met als titel: Weinstein, hij is nooit aardig geweest.

Nu bleef Trump over. Met dit idee dat het nu beter zou gaan, zat er ook nog een kans in dat hij een nieuwe naam zou krijgen. Maar hij behield zijn naam. Hij bleef de bruut die hij al was ook als was hij nu alleen. We spraken erover en waren het met elkaar eens dat ook deze van ons tuinpad moest verdwijnen.

Het gebeurde op een dag die niet afgesproken was. We stonden klaar om te vertrekken naar de wandelgroep, de volgende dag zou ik de laatste dag van de pelgrimstocht meelopen naar Bence. Hans liep buiten, bij het huis. Er klonk gegil. Oma lag plat onder de haan. Adrenaline deed zijn werk. Hans werd zo kwaad dat hij in één klap de haan met een stok van Oma afsloeg. Trump probeerde nog te ontsnappen, maar het was te laat. Zijn laatste seconden waren geteld. Met nog wat tegenstribbelen moest hij het opgeven. Ik belde Brigi, die in eerste instantie mijn vraag niet helemaal begreep. Of zij Trump wilde hebben, maar hem dan wel eerst schoon moest maken. Bij terugkeer van de pelgrimstocht vertelde ze dat hij 2,5 kilo woog en heerlijk gesmaakt had. En zo blijkt maar weer, beter één haan in de pan dan één zo’n galbak in je tuin.

De toom kwam tot rust en de kleine zijdehoentjes groeiden als pluizende kooltjes. Al snel bleek dat ook daar haantjes tussen zaten. Na enige controle bleken het er vier. Maar omdat ze zo pluizig zijn ziet ook een zijdehoenhaan er liever uit. Toch, het pakte iets anders uit. Omdat de meisjes zijdehoen nog niet geslachtsrijp zijn, waren weer de oude kippen en vooral ook Oma-kriel de pineut. Nu hadden wij met elkaar afgesproken, dat wij deze soort niet naar de slachtbank zouden brengen, maar weggeven aan iemand die ze graag wilde hebben. Ik deed een bel- en emailronde. Van degene die eerst wel wilde, bleek niemand op dit moment (maar misschien wel een ander moment) plaats te hebben voor deze donzige mannen. Ondertussen renden de oude kippen de marathon en de triathlon in één keer. Maar het hielp hen niets. Met vier hanen is de kans op vluchten nul komma nul. Toen schoot mij iets te binnen.

Eva, die hier een stuk verderop in de straat woont, heeft ook een grote groep zijdehoentjes. Het is een lieve vrouw die goed voor haar beesten zorgt. De zijdehoentjes heeft ze voor de verkoop, omdat die qua kip best wel wat waard zijn. Ik schreef haar dat ik drie haantjes in de aanbieding had en dat zij ze gratis mocht hebben. Gisterenmorgen, om acht uur, zoals afgesproken, stond ze voor de deur. En zoals ook afgesproken, was het nachthok nog dicht. Ik kroop in het hok. Hans en Eva stonden klaar om mijn vangst aan te nemen. Het was even graaien en spartelen. Ook hanen kunnen heel hard gillen en daarbij ook nog eens heel hard lopen. Maar het lukte. Eva hield de aangepakte hanen op hun kop, met hun poten in haar handen. Ze wikkelde er een touwtje om als een volleerde bloembinder. Daarna rechtop, zoals een mooie bos bloemen en daarna in haar tas. Zo wandelde zij naar huis. De hanen op weg naar een nieuwe toekomst. Onze kippen ook. Alleen Remie, de witte haan is achter gebleven. Hij is lief en voorkomend. Hij tokkelt als er lekkere dingetjes te halen zijn. De toom gelukkig. Wij gelukkig. De rust is weer terug.

Míp

Trump en Weinstein, toen ze nog jong en lief waren.
De drie haantjes die als een mooi boeket door Eva werden meegenomen.
Remie, onze mooie zijdehoenhaan, die mocht blijven.

Vrienden, wat moet je zonder?

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Het was in de maand dat de zijdehoentjes werden geboren, april. Op de helft van die maand zaaiden wij onze eerste hennep. De moestuin was al op orde en Hans verdiepte zich in het precies aanleggen van de druppelslang. Om de 35 cm een gaatje, waar dan, als de slang aangesloten is op de 1000 liter container, om de enkele seconde een waterdruppel uit komt. Het werd passen en meten, vooral ook om rekening te houden met de rij-afstand, want hennepplanten kunnen flink uit de kluiten gewassen planten worden. En daar moesten we wel het één en ander voor doen om die planten zo ver te krijgen.

Ik had een plan waar Hans zich niet helemaal in kon vinden. Wie anders dan Boeren Leen kon ons van advies dienen. Ik kreeg het gelijk aan mijn kant. We gingen inzaaien, maar niet alles in één keer, zodat de groei verdeeld zou kunnen worden. Want ik dacht natuurlijk al aan oogst, terwijl er nog geen zaadje in de grond zat. Dat oogsten wilde ik verdelen in tijd, zodat, als het eenmaal zo ver was, wij niet al die planten in één keer hoefden te oogsten. We zaaiden zoals afgesproken, om de twee weken en dat in drie keer. Schroevendraaier mee om de juiste gaatjes te maken. Niet te groot en ook niet te diep, maar dan weer wel diep genoeg om goed te kunnen wortelen.

Bij elk gaatje in de druppeslang kwam een gaatje in de aarde en in elk gaatje verdween een hennepzaadje. De kraan van de 1000-liter container werd opengezet en zo vielen precies bij elke zaadje de druppels. Zonder verspilling en zonder dat ook het onkruid water zou krijgen. Omdat ik ondertussen ook best wel veel van zaden weet, zaaide ik thuis in een grote bak extra hennep. Voor “je weet maar nooit”. Want niet elk zaadje wordt een plant, weet ik uit ervaring. Toch liep het ook nog anders.

We zaaiden om de twee weken, zodat half mei alle zaadjes in de grond zaten. Maar het weer zat wat tegen, het wilde maar niet echt warm worden en als hennepzaadjes ergens van houden dan is het wel van warmte. Elke dag controleerde ik de groei, maar er gebeurde niet veel. Hoewel de voortrekbak bij huis al de eerste tekenen van groei gaf. Maar op een dag zag ik de eerste twee gekartelde blaadjes, die zo kenmerkend voor hennep zijn, boven de grond uitsteken. Inderdaad, bij het hele slangenstelsel tegelijk. Dus mijn idee van gespreid zaaien en daarmee een gespreide oogst zag ik die dag al meteen in rook opgaan. En ook kwamen niet alle zaadjes uit. Maar de voortrekbak gaf de oplossing. Bij elke lege plek kon ik daarom een voorgetrokken plantje in de grond zetten en zo kwam toch nog de halve moestuin vol hennep te staan.

Als je dan denkt dat je er bent, heb je het mis. Er zijn namelijk vrouwelijke en mannelijke planten. Maar dat kun je niet direct zien, althans ik niet want zoveel verstand heb ik er dan toch ook weer niet van. Bij sommige hennepplanten is aan het blad te zien wat een man en/of vrouw is. Jawel, één plant kan ook tweezijdig zijn. Maar in het geval van onze soort was dat niet te zien, dan moet je wachten tot de bloei. Als de plant een soort bloeiwijze van hop laat zien, dan is het een mannetjes. Leuk om te zien en bijen zijn er helemaal gek van, maar eigenlijk zijn die mannetjes niet zoveel waard. De dames daarentegen geven mooie grote toppen en geven zoveel geur af, dat je er blij van zou kunnen worden. Gelukkig in ons geval waren de dames ruimschoots in de meerderheid.

Maar dan de volgende vraag: wanneer kan zo’n plant nu geoogst worden? Welnu, de toppen moeten een bepaald stadium bereiken, die je zo op het oog niet kan zien. Volgens mij waren ze goed maar volgens Hans moesten we wachten . Elke dag met de loep in de hand op pad. Het kon nog wel even duren. Onze hulptroepen werden opgeroepen en weer afgebeld, toch nog maar even wachten.

Toen kwam die dag dat de natuur ons wel heel goed gezind was. Buiten werd het aardedonker terwijl het nog midden in de middag was. Door het raam zagen wij een beangstigend zwarte wolk aankomen met de kenmerken van een supercel. We keken door het raam, handen in het haar en dat schijnt geholpen te hebben. De wolk trok tergend langzaam voorbij en naar later bleek loste deze wolk zich boven Pécs. Hagelstenen ter groote van grote bitterballen aangzwengeld door een storm en daarna een verpletterende regenbui, die de straten liet overstromen. Poeh, dat was even een opluchting, maar wel met de kak tussen de billen.

Eindelijk dan brak de dag aan dat de loep zo’n beeld gaf dat de oogst kon beginnen. Het weer werkte mee en om de hitte niet al teveel invloed te laten hebben trok Hans een flinke lap stof op, om zodoende een lekkere schaduwplek te krijgen. Vriend Gábor en vriendin Brigi schoven aan de lange tafel, op juiste afstand vanwege dat nog steeds rondwarende kl..te virus. Het grote werk was begonnen. Hans maakte pörkölt voor tussen de middag, zodat niemand van de honger om zou komen. Toen Brigi verdween, kwam vriend Ference en met elkaar knipten we en plukten we weer verder.

De volgende dagen was Gábor elke morgen om acht uur present. Sandra, met haar altijd gezellige verhalen, schoof aan en niet veel later Flloor ook. Arie en Elizabeth, de doorgewinterde oogsters omdat zij al jaren met druiven werken. Niet helemaal hetzelde, maar wel in verband met goed teamwerk. Ze gingen als een speer. En nog diezelfde dag ook Vali en Zoli, ook al van die teamspelers. En natuurlijk staken wijzelf ook flink de handen uit de mouwen. Aan het einde van week was het dan zover. Hans haalde samen met Gábor de laatste planten, of zeg maar liever bomen, uit de tuin en de klus was geklaard. Ondertussen kregen we nog meer aanbiedingen voor helpende handen. Maar dat is voor volgend jaar, dat is al afgesproken. Vrienden, wat moet je zonder?

Onze hennepplantage was niet zo heel groot, maar best wel hoog.
Start van het grote werk. Gábor en Brigi, de schatten.

Het was beste wel even aanpoten.

Team spelers, er is geen ander woord voor.

Dit was de bui die wij niet kregen maar tergend langzaam aan ons voorbij trok. Poeh!!!

Moederkloek bij uitstek.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

We hebben nieuwe kippen. Althans dat was eind april al het geval. Hans bestelde de eieren bij een bekende zijdehoendervrouw, die stuurde de eieren per post op. Allemaal keurig verpakt in een speciaal verzendzakje met daarop met de hand geschreven welke soort het was. Ook voor vriendin É, kippenvrouw bij uitstek. Met de grote doos vol kleine schatten reden we naar É, die thuis een prachtige broedmachine heeft staan. Voorzichtig pakte ik alle (40) eieren uit en É stelde ondertussen het broedwonder in. Ik had trouwens geen idee hoe het werkte. Maar na een kleine les begon ik te snappen dat É dus de taak van de broedende kip moest overnemen. Op tijd draaien en keren, ook midden in de nacht. Waarvoor zij dan wel haar wekker steeds moest zetten en dat 21 dagen lang. We lieten de eieren met een gerust hart achter, want zij is wel de beste moederkloek die je je maar voor kunt stellen.

Vier dagen later begon Halve Kip (zo is haar naam, omdat ze half kriel /half kip is) gedrag te vertonen dat mij bekend voor kwam. Ze bleef te lang op het nest, liet andere kippen toe om hun eitjes bij haar te leggen en stal zoedoende op een dag 6 eieren. Broeds dus. Ik schreef de zijdehoendervrouw en bedacht dat het mooi zou zijn de eieren terug te halen en die onder Halve Kip te leggen. Haar advies kwam al binnen enkele seconden: “Niet doen!” en wel om de reden dat de Hongaarse wegen zo slecht zijn, dat wij zeker met geklutste eieren terug naar huis zouden keren. dat was natuurlijk niet de bedoeling. We gaven, op haar advies, Halve Kip drie eieren waarop ze kon broeden. Wel eerst goed schudden, zodat er geen kuikens uitgebroed konden worden. We reden met de auto heen en weer, nee dat is niet waar. We schudden de eieren flink, legde ze in een mand met stro, pakte Halve Kip op, legde haar op de eieren en sloten de garagedeur. De plek waar ze in alle rust en zonder door andere kippen lastig gevallen te worden en zonder dat zij steeds weer diezelfde kippen zou uitnodigen om er nog een paar extra eieren bij tte leggen, haar broedsel kon verwarmen, draaien en keren. Een kip is slim en soms moet een mens net iets slimmer zijn, vandaar.

Op dag 21, Halve Kip was ondertussen zo plat als een pannenkoek en twee keer zo breed als normaal, rinkelde de telefoon. De geboortegolf was begonnen. Eierschillen kraakten aan alle kanten, waardoor de kleine snaveltjes zichtbaar werden. Tijd om in de auto te stappen en ons nieuwe pluimvee op te halen. Aangekomen zaten de eerste geboren exemplaren al in een doosje met warme kruiken en zachte doeken. Echt É, de moederkloek bij uitstek. 23 van de veertig eieren kwamen uit, waarvan wij er 10 mee naar huis namen. Met warme kruiken en zachte doeken. We moesten wachten tot de zon onder zou gaan (zo was het advies van zijdehoendervrouw). We openden de garagedeur, ik pakte de nog steeds pannenkoek platte Halve Kip op, Hans pakte haar eieren en gaf haar er tien bloedjes van kinderen voor de terug. Binnen 1 seconden gebeurde het. Ze keek naar ons, keek onder zich en kon haar ogen niet geloven. “Ik ben moeder!” ze zei het niet, maar het leek er wel heel erg veel op. Haar verenpak veranderde van pannenkoek naar moederkloek. Tegelijk met de geluidjes die erbij horen als een kip moeder wordt.

En zo begonnen wij aan het begin van een lange zomer aan het experiment kip en ei, waarvan ik nu kan zeggen dat het goed geslaagd is. Maar eerlijk is eerlijk, zonder Halve Kip weet ik niet of dit mij wel gelukt zou zijn. Want vriendin É, moederkloek bij uitstek, heeft al haar bloedjes van kuikentjes helemaal zelf opgevoed en die zijn er ook heel goed aan toe.

De zijdehoendervrouw gaf ons al de waarschuwing dat dit ras heel bijzonder is. Bijzonder leuk, maar soms ook bijzonder dom. Ik geef het toe, we hebben zelden zo moeten lachen om kippen die struikelend over hun eigen poten duikelend het kippenhok uit komen.

De twee haantjes kukelen alweer een tijdje en de hennetjes zouden tegen het einde van deze maand hun eerste eitjes moet leggen. Maar ja, het zijn zijdehoenders. Die zijn heel bezonder. Het zou maar zo kunnen zijn dat zij er hun eigen tijd op na houden.

En zojuist vloog ik naar buiten, omdat er paniek in de toom klonk. Nog staande op het terras zag ik een grote buizerd opvliegen. Gewoon midden in de tuin.! Ik ga nu eerst mijn kippen tellen. Want het lijkt heel wat met die veren, maar het weegt helemaal niets. Ik ga Bence instructies geven, want die heeft enorm de pest aan buizerds.. Wegjagen, die vogel! En wel heel snel,

Míp

Even optillen…
Even zien of de kust veilig is en dan…
Hup naar buiten.
Opgroeiend, tja wat eigenlijk?