De steek, de pen en de liefde.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

kortgeleden las ik een stuk in dagblad Trouw. Niet echt mijn krant maar Runa Hellinga, met wie wij bevriend zijn, schrijft soms fijne interessante informatie over Hongarije. Onderstaand stuk is niet van politieke aard maar geeft wel weer hoe de stand van het land kan zijn. Je moet wel op de link klikken om het stuk te lezen.

https://www.trouw.nl/buitenland/een-wespesteek-is-in-hongarije-extra-gevaarlijk~b1415794/

23 jaar geleden, het was op 16 augustus 1996, kwam ik er achter dat ik een wespenallergie had. Het was wel een beetje laat om erachter te komen, want na een minuut begon mijn lichaam tekenen te geven dat het niet helemaal goed met me ging. Om kort te zijn, want velen kennen mijn verhaal al, na anderhalve minuut verkeerde ik in een comateuze situatie. Mijn longen functioneerden nogal weinig en mijn hart tikte niet meer zoals het daarvoor deed. Als Hans niet zo snel een ambulance had gebeld lag ik nu keurig ergens op een begraafplaats met een steen aan mijn hoofdeinde. Ze hebben mijn leven gered, Hans en de ambulance broeder en zuster.

Na grondig onderzoek door de allergoloog bleek dat mijn allergie dodelijk was en bij een volgende steek zou ik dan helemaal geen tijd meer hebben. Ook geen minuut. Hij deed mij een voorstel, dat ik met beide handen aanpakte. Vijf jaar een wekelijkse injectie met wespengif, dat dan langzaam opgevoerd moest worden. Het begon met 1 miljoenste en steeds iets meer. Vijf jaar lang liet ik mij gelaten vergiftigen maar na uitvoerig onderzoek bleek ik niet al teveel antistoffen aan te maken. Een nieuw contract van nog eens vijf jaar werd snel getekend. In 2006 besloten wij te verhuizen naar Hongarije en sloot ik daarmee mijn kuur na tien jaar af. De allergoloog was er niet blij mee maar voorzag mij van allerhande handige tips en schreef mij anti-histamine en een nieuwe  epi-pen voor. Die epi-pen, zo sprak hij, moet je altijd bij je dragen vooral als het augustus is.

Hier bij ons zijn veel wespen en niet alleen in augustus. Slechts in de koudste wintermaanden zijn ze niet actief. In de periode dat wij hier wonen ben ik vier keer gestoken. De eerste twee gaven geen resultaat behalve dan dat ik mij helemaal het lazerus schrok. De derde was een steek in mijn nek die zich omvormde als een soort olifantspoot. Mijn epi-pen gebruikte ik niet, omdat die alweer jaren over de datum was en tegelijk had ik geen verschijnselen die er op leken dat mijn reactie dodelijk was. Ik toog naar vrouw dokter, die keek nog eens goed en schreef mij ampullen met calcium voor die ik dan moest breken en samen met een beetje water moest opdrinken. Maar die had ik al van een vriendin gekregen en het had niet geholpen. Of ze geen anti-histamine kon voorschrijven. Ze keek me verbaasd aan. Wat wist ik van medicijnen? Nadat ik in het kort bovenstaand verhaal in half Hongaars had uitgelegd en begreep dat dit geen toeval was, schreef ze, zij het met wat tegenzin, het anti zwellings medicijn voor. Sinds die tijd bel ik haar als het medicijn op is en zij schrijft zonder morren de recepten uit. Hoewel steeds de vraag komt of ik er ook nog calcium bij wil hebben. Op mijn “nee” schudden zowel assistente als vrouw dokter hun hoofd. Tja, eigenwijze buitenlanders zijn er altijd.

Een paar weken geleden, het was op de dag af 23 jaar geleden dat ik mijn wederopstanding mocht vieren, ruimde ik wat verdorde bladeren van de snijbiet op. Natuurlijk niet met handschoenen, hoe stom. Ik rukte de verdorde bladeren er tussen uit en schoonde de plant weer mooi op. Toen ik bijna klaar was voelde ik een prikje (dus niet een wesp die zijn angel in één keer met heftig venijn  in mijn huid boorde om zijn gif te spuiten) meer een soort waarschuwingsprikje. Ik zag de griezel weglopen op het blad en begreep meteen dat ik geluk had. Tientallen  zaten er tussen de bladeren. Ik keek naar mijn vinger die opzwol, liep naar huis, trok uit de keukenla een doos anti-histamine, nam twee tabletten tegelijk in voor de zekerheid en liet mijzelf op de bank zakken. Mijn epi-pen had ik bij toeval vorig jaar in de vuilnisbak gegooid, omdat die alweer twaalf jaar over de datum was. Het voelde niet lekker in mijn hoofd. Hans, ondertussen door mij gewaarschuwd, vroeg mij op te staan om meteen naar de dokter af te reizen. Maar zowel mijn hoofd als mijn benen wilden niet meewerken. En met de woorden “het gaat niet goed!” Sleepte Hans mij de auto in. Onderweg voelde het alweer wat beter. Ramen wagenwijd open gaven weer wat lucht en even later vroeg ik of ik even proef mocht lopen om te bezien of mijn benen het weer deden. Die deden het, wankel maar ze liepen gewoon naast Hans over het pad. We keerden de auto en reden terug naar huis.

Vrijdag moest Hans weg en keerde heel kort daarna weer terug. “Ogen dicht en niet stiekum kijken”. Ik voelde iets om mijn middel, het was een piepklein tasje. In dat tasje een epi-pen. Ik kuste Hans en zei: kom, kunnen we gelijk snijbiet uit de moestuin halen. De pen is In de morgen besteld bij de apotheek en in de middag hier in huis. Zonder recept. Dit deel van het verhaal van Runa klopt niet helemaal.  Maar de rest? Geloof het maar. Calcium is leuk voor mensen die niets mankeren. Maar voor de rest zul je je huisarts moeten overreden naar je te luisteren. Je komt er tenslotte niet voor je zweetvoeten. En by the way, de snijbiet staat er nog steeds. En het tasje draag ik om mijn middel, als is het mijn tweede huid. Lief hé, zo’n man!

Míp.

 

Bencéhez. Een fietstocht.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Het is alweer even geleden dat wij de eerste berichten kregen. Op de fiets? Die route? Het antwoord daarop was: Ja en gaan jullie ook mee? Ik schoot in de lach, omdat in de meer dan twaalf jaar dat wij hier wonen ik mijn fiets amper had aangeraakt. Hooguit 70 kilometer had ik in al die jaren bij elkaar gefietst en dan ook nog eens in het eerste jaar.

Maar toch. We haalden de fietsen van zolder en bezagen welk een leed deze hadden ondergaan. Eerst tijdens de verhuizing waar mijn fiets nogal gekreukeld de verhuiswagen uit kwam. En nu, zoveel jaar later bleek mijn gel zadel te zijn ontploft door de hitte, stonden mijn banden leeg, deed mijn kilometerteller het niet meer en zat er nog steeds die rare slag in mijn voorspatbord. Hans’ fiets was er iets beter aan toe. Toch was ook die fiets niet reisvaardig zullen we maar zeggen.

Nu kan een fiets misschien niet reisvaardig zijn, maar is het lichaam dat wel? Op die vraag moest een antwoord komen. Wat kan een mens nog aan. Welnu, door te fietsen kun je veel ontdekken. Eerst korte stukken met weinig klimmmen. Dat ging goed. Nu Hans mij zo bezig zag ging het bij hem toch ook prikkelen. “Ik ga met je mee!” Riep hij. Ik zocht de fietsbroeken waarvan bleek dat die van Hans zijn beste tijd wel gehad had. Ik stond de mijne af, die mij toch te groot was en kocht zelf een nieuwe. Ondertussen waren er nieuwe zadels, de verlichting op orde, de slag uit mijn spatbord en nieuwe batterijen voor de kilometertellers. Zelf ben ik wel van het meten is weten en zonder zo’n teller weet je helemaal niets.

Langzaamaan begonnen we met beklimmingen. Stijl en lang. Omdat we dat nogal vroeg in de morgen deden hadden we weinig last van warmte en verkeer waardoor de spieren op het gemak uitgetest konden worden. Het zag er voorwaar niet slecht uit.

 

 

 

Eerlijk gezegd kregen we er best lol in. Daarna nog een volgende gemene klim om uit te proberen en naar aanleiding daarvan zouden we ons besluit nemen. Onderstussen bestookte Arwen mij met peptalk berichtjes, omdat zij er zeker van was dat het zou kunnen.

We namen een besluit. Ik zou gaan en Hans niet. Het zou teveel voor hem worden. Maar op het moment toen ik Zoli belde om te vertellen dat ik er klaar voor was hoorde ik Hans op de achtergrond. “Ik ga mee!” Besluiten zijn er om op terug te komen en zo geschiedde.

We kregen een e-mail met daarin drie grafieken voor drie dagen, want zo lang zou de fietstocht gaan duren. Ongeveer 175 km naar Gyugy vanaf Pécs. Ik zag Hans slikken. Grafieken zeggen mij niet zoveel. Nu ik er naar terug kijk weet ik wat ze betekenen. In een volgende e-mail werd het hele plan nog duidelijker. We zouden om de 10 kilometer stoppen en er ging een auto mee voor de bagage, fietsonderdelen, eten, drinken en een plaats voor een fiets en een persoon als iemand het even op moest geven als het te zwaar zou worden.

23 augustus was het dan eindelijk zo ver. We reisden af naar Pécs met de fietsen achterin. In de tuin van Vali en Zoli was het een komen en gaan van mensen die zich klaarmaakten voor de grote rit. Het was een warm weerzien met mensen van de pelgrimstocht en met een paar nieuwe geichten. Althans voor ons dan. Maar niet voordat een ballon met al onze namen zou worden losgelaten voor de naamdag van Bence. Want dat was tenslotte het doel. Fietsen naar de gedenkplaats van Bence. De eerste rit bracht ons naar Egyházaskozár, een ritje van slechts 64 kilometer. Ja, in Nederland zou dat echt niet heel veel zijn maar hier…….. We reden met z’n veertienen door de stad tussen het drukke verkeer door waarbij Zoli het bijkans aan de stok kreeg met een automobilist die vond dat we meer in de kant moesten gaan rijden. Wie de Hongaarse wegen kent weet dat dit tot de volkomen onmogelijkheden behoort. Dus we bleven rijden waar we reden. Niet veel later reden we op rustigere wegen met weinig verkeer. Slechte wegen, dat wel. Toen kwam de eerste beklimming. Als ware ik een rijdende douchekop zwoegde ik mij de weg omhoog. Maar niet ik alleen, al moet ik zeggen dat het sommige anderen iets makkelijker afging. Ook Hans zat mee in de groep en ik voelde mijn trots voor hem stijgen. Natuurlijk, hij had het niet makkelijk maar hij deed het wel. Gaande de dag werden de klimmen feller en gemener en gaande de dag was het goed te merken dat een lichaam best zo sterk als een beer kan zijn. Onderweg maakten we stops bij kroegen en winkels om zo ons vochtgehalte op pijl te houden en voedsel voor de energie. Deze dagen zou ik meer suiker en snoep eten dan ik normaal gesproken in een heel jaar nog niet bij elkaar zou eten. Maar we hadden het nodig, die energie. Toen we aankwamen in Egyházaskozár brandde de zon nog steeds fel maar de kamers waren luchtig en kompleet. We zouden slapen als rozen. Vooral omdat de wijn er flink inhakte tijdens het eten en daarna.  Maar de onderlinge pret was er niet minder om. Hoewel Hans’ spieren die nacht wel opspeelden. Kramp. Maar een hete douche bood uitkomst.

Dat bier kan sissen weet ik nu zeker.

 


Pitfit  weer in de startblokken.

Op dag twee reden we via Dombovár naar Igal. Een rit van 54 kilometer en gezien de grafiek zou het redelijk goed te doen zijn. Zoals ik al schreef: ik heb geen verstand van grafieken en dat bleek ook wel. Toch zaten er wel wat stukken vals plat en daar is mijn lichaam redelijk op gebouwd. Na langdurig overtuigen lukte het Hans de eerste paar kilometers in de auto te krijgen. Toch kennen maar weinig mensen zijn karakter. Afhaken komt niet in zijn woordenlijst voor. Bij de eerste stop in Dombovár stapte hij uit, pakte zijn fiets en maakte zich klaar voor de rest van de dag. Daar hou ik wel van, een beetje doorbijten moet kunnen. Om mezelf vooral te sterken hing de plaats Igal in mijn hoofd. Want daar was een cadeautje. Een heus kuuroord, dat ook nog eens recht tegenover onze slaapgeledenheid bleek te liggen. Maar dat was nog wel een paar uur van ons verwijderd. Eerst maar eens op de pedalen. Het was heet en het was zweten en de hellingen waren straf. De afdalingen gelukkig ook. En sommigen wisten het al. Ze riepen me toe dat er een cadeautje aankwam. Zoli hield mij op de hoogte tijdens een eindeloze klim. “Zie je die toren daar” en wees naar iets dat nog ver was. Ja, die zag ik. Tot daar loopt de klim, daarna gaan we weer dalen. Jaren geleden, het was tijdens mijn fietsvakanties in Portugal, had ik mezelf al aangeleerd om tijdens een klim niet omhoog kijken maar alleen naar het asfalt. Ik geef toe je ziet weinig van de omgeving maar het helpt wel als je niet weet hoe ver het nog is. De afdalingen daarentegen gaven ook wel wat verschil te zien. Daar waar Hans met moeite de klim haalde zo hard vloog hij de afdaling af en haalde velen met gemak weer in. Het bord van Igal kwam eindelijk in zicht. Ik trapte met mijn laatste kracht nog flink de pedalen rond en zag het water van het kuuroord. Als zoutpilaren schoten we ons zwemgoed in en lieten ons lichaam zalven door het goddelijke warme water. Wat een heerlijkheid. Met Dalma, die een fantastische zwemster bleek, zwom ik nog een baan vrije slag die we tegelijk aantikten. Grappig dat we dit niet van elkaar wisten en nu wel. Maar de rek was er na die ene baan wel uit. Tijd om te relaxen. Na het avondeten zaten we met de groep op het terras. De sfeer was heerlijk. De verhalen vlogen alle kanten op. Maar om half negen was het gebeurd. Ik moest naar bed. Bijna in slaap voelde ik iets kriebelen. Eerst in mijn haar, toen mijn gezicht en daarna een knisperend geluid op mijn kussen. Licht aan. Daar zag ik wat. Het was groen en niet klein. Het was een grashopper die mij uit mijn slaap hield. Nu was ik niet bang maar ik vond het wel irritant. Kleren aan en naar het terras. Met mijn handen een stuk uit elkaar vertelde ik dat er wel zo’n groot groen insect in de slaapkamer zat. Hans mee en die staat ook niet bekend om zijn geduld. Hij zag het insect en daarna niet meer. Volgens hem was het weg, volgens mij niet. Vali wierp zich op als beste insectenvanger ever. Samen zochten we, vonden hem, joegen hem in het gordijn en Vali zorgde voor de laatste klap, zodat de grashopper weer in de natuur belande waar hij dan ook hoort. Eindelijk slapen.

Dag 3. Onze laatste trip die zal leiden naar Gyugy, de herdenkingsplaats van Bence. Een tocht van ruim 58 kilometer. Zoli toonde mij nog eens de grafiek en wees mij op de valkuilen van deze dag. Ondertussen begon ik al meer van grafieken te begrijpen en bij het zien werd mij de adem bijkans ontnomen.

Let vooral op het begin, dan dat kleine piekje, dan die bulten erna.

Als je ergens aan begint maak je het af ook. Zo is altijd mijn credo. Maar allemachtig wat een helse tocht was deze dag. Vreemd genoeg vergeet ik ook steeds de afdalingen en onthou ik alleen de klimmen. Dalma, die soms alleen soms met Vali de rijen sloot, dus in veel gevallen achter mij, reed naast me. Ik riep dat ze gewoon door moest fietsen op haar eigen tempo. Maar nee, ze wilde graag de laatste blijven. Of alleen of samen met Vali. Vreemd genoeg is dat toch heel geruststellend. Dat er iemand achter je zit die veel sterker is. Ik kan het niet goed uitleggen maar het voelde in ieder geval goed. De ene verschrikkelijke klim na de andere diende zich aan. Soms stopte ik om even mijn benen bij te laten komen en ondertussen ook mijn kont want die werd ook wat gevoeliger van al de klimmen, dalen en zweten natuurlijk. Daarna fietste ik weer verder. En als het wat makkelijker ging vergat ik al die verdomde klimmen weer. Fijn zo’n geheugen. Het was warm maar gelukkig ook bewolkt, zodat de zon voor even niet de huid zou verschroeien. We maakten mooie lange stoppen tussendoor, waardoor iedereen weer op adem kon komen. Bij de laatste stop zouden we lángos eten, maar helaas was die tent gesloten. Of ik dat heel erg vond weet ik eigenlijk niet. Lángos, je kunt het uren later nog eten. We vervolgden onze trip. Dacht ik dat we alles gehad hadden bleek toch dat ik de grafiek niet goed in mij opgenomen had. Heerlijk bospad zonder verkeer. Soms wel een slecht pad of zelfs wel een heel slecht pad. Toen die beklimming. Zanderig en stenen hels steil omhoog. Laagste versnelling, zon die doorbreekt en meteen alles verschroeid. Zweet in stralen die donkere kringen op de weg maken. Niet omhoog kijken. Dan zegt mijn lichaam dat het klaar is. Maar die had mijn karakter buiten de waard gerekend. Boven mij liep iedereen al (op de kleine dondersteen Zsofi na en als ik het mag geloven is Zoli toch ook weer opgestapt). Ik duwde mijn fiets, voelde nu niet mijn bovenbenen maar enkels en kuiten. Stoppen, even over de fiets hangen en weer door.

Nog even Míp! Riep Vali. Het is niet ver meer! Pfffffff.

En zo kwamen er nog een paar van die kleine venijnige en o zo gemene klimmen. De weg naar Bence was een kuitenbijter die het geheugen niet snel zal verlaten. Maar eerlijk is eerlijk, nooit maar dan ook nooit had ik deze ervaring willen missen. En Hans? Apetrots ben ik op hem, die eigenwijze donderstraal.

En zo gebeurde. Alle fietsen op rij en geen enkeling uitgezonderd.

Bencéhez. Een fietstocht.

Míp.

Held.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Het was vorig jaar in september toen we ineens een hond zagen in de tuin van het leegstaande huis aan de overkant. Het huis zelf is onbewoond maar in de schuren heeft de eigenaar zijn machines staan. Landbouwmachines en een tractor. Even dachten wij dat hij de hond er achter had gelaten en zodoende kon dienen als waakhond. Een grote Duitse Herder, daar durft niemand langs te komen dachten we gelijk. Maar niet veel later bleek niet hij maar iemand anders de eigenaar van de hond te zijn. Onze burgemeester. We zagen haar dagelijks. Ze gaf de hond, die de naam Nero droeg, vers water en vers eten. Na enkele dagen ging Nero bekend gedrag vertonen. Gedrag van een hond die uit de auto gezet is (we komen ze hier met enige regelmaat tegen, vandaar de kennis van dit gedrag en niet omdat ik zoveel van honden weet). Hij stond voor het grote hek te wachten en dat wachten deed hij uren achter elkaar. Daarna ging hij blaffen en dat geblaf ging in de nacht over op huilen. Het geluid ging door merg en been en sneed in onze ziel, maar hield ons tegelijk ook uit de slaap. Na enige tijd werd het een klacht, omdat ook andere honden reageerden op het geblaf en gejank. We moesten iets doen voor deze eenzame blaffer. Met andere woorden: hij verdiende een beter leven dan alleen maar wachten en wachten in eenzaamheid. Het woord dierenmishandeling viel hier huis regelmatig.

Hans sprak met de burgemeester. Nou ja, het was vooral de vraag hoe lang dit nog ging duren. Nu had Hans al contact gehad met vrienden in Amsterdam die een grote voorliefde hebben voor Duitse Herders. Een jaar daarvoor hadden zij een hond van ditzelfde ras op jonge leeftijd verloren. Hun hart weende nog altijd na. Na enige beraad openden zij datzelfde hart en vertelden dat als het moest zij Nero zouden komen halen. Na de vraag haalde de burgemeester haar schouders op en zei: hát …ik weet niet hoe lang het gaat duren maar Nero mag niet weg. Haar kleindochter, een vrolijke peuter, was helemaal wild van Nero en die moest ze kunnen bezoeken. Op de vraag waarom Nero dan niet gewoon lekker thuis kon wonen was het antwoord iets langer maar ik schrijf het korter. Nieuwe vriend, heeft twee honden van een Italiaans ras die niet kunnen samenleven met Nero. En juist nu het vrouwtje zo graag wilde samenwonen met de eigenaar van de italiaanse honden. Dus woont Nero nu hier tot er een echte oplossing gevonden is. Maar, vertelde ze nog, Nero is niet ongelukkig. Hij is altijd blij als ik er ben. Dat was het antwoord, maar niet de oplossing.

De winter viel in. Nero’s eenzaamheid nam ernstige vormen aan. Het ijsberen langs het hek duurde langer samen met het blaffen en huilen. Inderdaad, de burgemeester had gelijk, de hond was altijd blij als hij haar zag. Maar, en excuuus voor mijn grofheid, wat wil je godver de godver als zo’n hond 23 uur en vijftig minuten alleen zit? Natuurlijk is hij dan blij! Want hij denkt elke dag weer dat hij gedumpt is! De klachten werden erger en als je in het dorp een klacht hebt dan ga je naar de…..inderdaad de burgemeester. Sommige avonden ging Hans, of anders ik, naar de overkant om de hond te troosten. Een aai over zijn kop, een goed gesprek en dan een lik over je hand van die enorme tong. Nero was gewoon een grote schat van een hond. Hans maakte nachtopnames van zijn gehuil en stuurde die naar de burgemeester. Ze reageerde niet. Ik schreef haar een bericht met de vraag of er een gesprek mogelijk was. Geen antwoord. Nogmaals dan maar die opnames maar dan van andere nachten. Geen reactie. Ondertussen kwam het stoom uit onze oren. Iemand stelde voor om de hond in de nacht in de garage op te sluiten en in de morgen weer los te laten. Waarschijnlijk geen goed plan want de burgemeester ging er niet op in. Nu lijkt het alsof wij de enigen waren maar niets is minder waar. Alleen de doven in dit dorp hadden goede nachtrust.

De dagen gingen weer wat lengen maar Nero werd er niet gelukkiger van. Toen, op een dag in april, was er toch weer een gesprek samen met haar nieuwe vriend die Hans meteen toeschreeuwde dat hij op moest donderen naar Nederland. Geen aardige reactie maar ook zeker geen oplossing van het probleem, omdat de andere dorpsbewoners niet zomaar naar Nederland konden vertrekken en zij dus gewoon last bleven houden van de hond. Schijt aan alles dus. Maar rustig blijven en in gesprek blijven, dat was mijn motto voor dat moment.

Eindelijk in mei kwam het verlossende bericht. “Als de Hollanders Nero willen hebben kunnen ze hem op komen halen”.

Ondertussen moesten zaken als injecties, paspoorten en afstandsverklaring geregeld voordat Anton en Laurien zouden vertrekken met Nero. Eind mei arriveerden ze. Ze bleven drie dagen om Nero te observeren maar ook om aan hem te wennen. Ze kamden hem. Speelden met hem. Liepen aan de riem. En Nero was de meest voorbeeldige hond alller honden. Op 30 mei is hij vertrokken. Naar Amsterdam. Hartje centrum. Daar is zijn nieuwe leven. Na wat wennen aan al die miljoenen prikkels per dag (honden, katten, fietsen, auto’s, trams, geurtjes, honderden geurtjes en heel veel mensen) kunnen we zeggen dat de missie geslaagd is. Nero heet nu geen Nero meer maar Iroas wat Grieks is voor held. Held omdat hij in negen maanden eenzaamheid nog altijd lief is gebleven.

 

Nero tijdens zijn eenzame verblijf met alleen een bal als vriend.

 

Nero tijdens de gewenningsperiode met zijn nieuwe baasjes. En het afscheid van zijn oude bazin.

 

Nero onderweg naar zijn nieuwe bestemming waar hij twee dagen later aan zou komen.

Held in Amsterdam. Samen met de bazin op de bank met naast hem zijn vriend, de bal. Held in Amsterdam, letterlijk uitgevloerd na een heerlijk pittige wandelen. Hier ook nog steeds met zijn vriend, de bal.

Míp

 

 

 

 

 

 

De laatste dag. Het eindpunt.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

We reden rond half acht in de morgen weg. De weervoorspellingen waren gewijzigd, zoals zo vaak. Maar ook dit keer, net als zaterdag, was de wijziging in ons voordeel. Niet al te warm, geen regen maar wel wat wind. Geen beter weer om de laatste wandeling naar Gyugy te maken. Maar we reden eerst naar Öreglak, het dorp waar de groep de laatste overnachting had.

De glooiende weg in de richting van het Balatonmeer was toch iets meer glooiender dan ik in gedachten had. In mijn herinnering was het vlakker. Herinneringen blijken niet altijd te kloppen. Of misschien was ik er toen minder mee bezig, dat zal het zijn.

We reden op de afgesproken tijd het dorp binnen waar een flinke groep mensen zich aan het verzamelen was. Veel nieuwe gezichten, maar de bekende moesten we natuurlijk eerst flink begroeten. Het voelde goed om elkaar weer te treffen. De basisgroep, van tien mensen die alle dagen hadden gelopen, vertoonden wat vermoeide tekenen. Ja, pijn hadden ze zeker in spieren en sommigen in hun voeten, maar niets zou hen kunnen tegenhouden deze laatste dag vol te maken. De wandelgroep groeide aan tot dertig mensen. Jong en ouder. Vrienden van Bence. Van dezelfde leeftijd. Prachtig jong gespierde sportieve lichamen. Het deed bijna pijn ernaar te kijken en me te realiseren dat ook Bence ooit in zo’n prachtig lichaam had gewoond. Dat was voor de kanker.

Na de groepsfoto gingen we van start. De sfeer was anders dan zaterdag. Oh ja, de motivatie was er volop. Maar toch, vandaag was de wandeling naar het eindpunt die nog 21 kilometer voor ons lag. De eerste afslag was er eentje van de eerste categorie. Een helse klim, niet al te lang maar wel ontzettend steil. Het was even doorbijten en op adem komen. Nog in de klim belde Hans die klaar stond om de groep op te vangen om ons in volle actie te fotograferen. Hij vertelde dat hij mij niet kon verstaan en dat klopte ook, omdat ik bijkans buiten adem een telefoongesprek moest voeren, tegelijk de klim moest maken en ook nog eens tegelijk moest rondkijken of ik hetzelfde zag als hij. Gelukkig zagen we elkaar snel en de klim was over. Daar vormden we weer een groep, omdat niet iedereen in dezelfde conditie verkeerde. We haalden het allemaal en niemand klaagde.

Tijdens de wandeling ontstonden mooie gesprekken. Sommigen spraken Engels wat voor zowel Ron als Arwen heel fijn was om een goed verstaabare conversatie te hebben. Soms gaven we elkaar een zoen als teken dat het zo fijn voelde om hierbij te horen. De energie te voelen en de vriendschap te ervaren. Dan gingen we weer ieder ons weegs om elkaar tijdens een klim weer tegen te komen. De kilometers gleden onder onze voeten door terwijl we tegelijk genoten van de enorme schoonheid die aan ons voorbij gleed.

Het einde naderde. Nog één klim. Eenmaal boven klopte mijn hart nog sneller dan bij welke klim ook. Ik zag Vali wilde bloemen plukken. We omhelsden elkaar en tranen stroomden als vanzelf. We waren er. De plek waar het allemaal om begonnen was. Het herdenkingsmonument van Bence. Een foto, gemaakt, niet zolang voordat hij ziek werd. Een echte spetter in een prachtig lichaam, een jongen die zin in het leven had.

Op de herdenkingsplek hadden zich nog meer mensen verzameld. Vrienden die de tocht niet mee hadden kunnen lopen, om redenen. Zoals Hans, die zo graag de energie had willen opzuigen tijdens de wandelingen. Maar nu was hij er en voelde de kracht die niet verslapte.

Vali en Zoli probeerden beiden een speech die door hun tranen werden opgeslokt. Gergö, zijn broer en hun oudste zoon, las een gedicht van Bence voor dat hij tijdens zijn ziekbed geschreven had. Ik heb het gedicht in het boek dat Vali geschreven heeft. De zondvloed van zijn tranen konden de woorden niet brengen die hij zou willen. Het gedicht verdronk erin. Ook Zsofi, de vriendin van Gergö, had mooie woorden geschreven, ook haar woorden vloeiden als water weg. Maar iedereen begreep wat er gezegd had moeten worden.

En wij allemaal, zaten op het gras en lieten onze tranen stromen toen de muziek de stilte doorbrak. Mooie muziek, engelstalig, die past bij een jongen van zeventien.

Langzaamaan maakten we aanstalten om te vertrekken wat voelde als losrukken van iets waar je geen afscheid van wil nemen. Een gevoel dat je voor eeuwig in je hart zou willen sluiten. Om nooit te vergeten hoe het is om zoveel liefde en zulke warme vriendschappen te ervaren. Een gevoel dat alles teboven gaat.

Mip

klaar voor het grote moment.

Gemotiveerd. Elke stap.

Nog even een hap voor de grote route.

Aankomst op de herdenkingsplaats. Tulpen, zoals we Bence beloofd hadden.

Verdronken woorden die door iedereen begrepen werden.

Troost, een woord dat de hele lading dekt.

Een heel hecht gezin.

De vader wiens dochter van vier bij Bence in het ziekenhuis lag. Ook haar gedenkteken is hier.

Op de voorkant van hun t-shirt is te lezen: Strong Stonger.

 

 

Pelgrimstocht. Zarándoklat.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Op 20 april was het alweer zo ver. Ron en Arwen zijn wederom aangeland in ons land. Op een plek, bij ons dus, waar altijd wel wat te doen valt. En dat doen ze dan ook ieder jaar weer. Armen uit de mouwen, maar eerst hun eigen plek rond de oude caravan opbouwen. Eigen maken. Thuis voelen. Daar zijn ze steengoed in. Lekker in alle rust hun eigen ontbijtje maken en opeten natuurlijk. Bakken hun eigen brood, zodat ze met de lunch altijd lekker knapperig vers brood hebben (Koos die broodmachine is fantastisch! Ik zal geen zout in de wonden wrijven, maar wij/zij zijn er heel blij mee). En die lunch hebben ze keihard nodig want al dat werken en klussen daar krijg je enorme trek van. Wat bij mij altijd weer verbazing en tegelijk verwondering oproept, omdat hun werk in het onderwijs echt geen kattepis is. Toch is het dit jaar iets anders dan voorgaande jaren. Er was namelijk een plan, een ontzettend mooi plan.

Zo’n twee maanden geleden kwam er een vraag van Valéria en Zoltán. Na het overlijden van hun zoon Bence, die slechts zeventien jaar is geworden, zijn zij niet verdronken in hun eigen verdriet maar hebben dit omgezet in een energie waarbij familie en vrienden betrokken worden en er als vanzelf in mee gezogen worden. Ze wilden heel graag dat Hans en ik daarbij zouden zijn. Als vrienden van Bence en als vrienden van het gezin. Hans zou het met liefde hebben gedaan maar zijn lichaam zou het zeker niet toestaan dat deze onderneming zou slagen. Maar foto’s maken, dat zouden ze ook heel fijn vinden. Bij mij kwam de vraag binnen als een zonnestraal na een donderbui.

Vorig jaar zou Arwen de vierdaagse van Nijmijgen gaan lopen, dat zou in juli zijn. Omdat ze in een trainingsschema zat wilde ze graag tijdens haar verblijf hier (zo elk jaar rond eind april en de eerste week van mei) haar schema voortzetten om goed beslagen ten ijs in Nijmegen van start te gaan. Natuurlijk wilde Ron haar daar in steunen maar niet met elke wandeling. Nu ben ik wel beweeglijk maar niet echt een met spek doortastende wandelaar. Toch prikkelde haar wandelingen mij in dien mate, dat ik echt zin kreeg om met haar mee te lopen. Ze had er flink de pas in die ik al hijgend volgde. Maar gaande de wandelingen werd het hijgen minder en de prikkel om verder te lopen groter. Ik raakte geoefend maar zeker niet getraind. In juli van vorig jaar liep Arwen vol trots de eerste keer de vierdaagse van Nijmegen helemaal uit. En dat bracht mij op de volgende vraag.

Een klein berichtje was voldoende. Daarna volgde de vraag. “Heb jij zin om voor één dag een pelgrimstocht mee te lopen?” Juist omdat het precies met hun verblijf hier in Hongarije samenviel. Het antwoord was JA. En zo gingen wij afzonderlijk van elkaar in training. Ik kreeg allerhande goede tips wat vooral te doen en wat vooral niet te doen. Ze checkte af en toe mijn afstanden (die ik met hond Bence of hond Sissi liep) en klonk niet ontevreden. Zaterdagmorgen om acht uur was het zover. De tocht zelf duurt vijf dagen en heeft een afstand van ca. 160 kilometer. Van Pécs naar Gyugy vlak bij het Balatonmeer, de plek waar Bence een plaats heeft waar hij voor eeuwig herinnerd wordt.

De groep bestond uit 18 mensen. Vrienden en familie. Na wat handen schudden en een kleine introductie van iedereen liepen we eerst naar een nog maar net geplante amandelboom aan de voet van het Bisdom waar vandaan wij zouden vertrekken.. Nadat Hans en Ron ons uitzwaaiden en iedereen een goede reis hadden gewenst gingen we op weg. Nog voor de eerste steile helling ging er een platvinkje palinka rond. Wij sloegen over. Alcohol en sport vonden wij beiden niet zo’n goede combi.

We gingen op weg naar Szentkatalin. Een wandeling van ruim dertig kilometer door het Mecsek gebergte. Het weer zat mee, het was zeker niet te heet en de verwachte regen bleef uit. Na ongeveer 500 meter recht omhoog in de stad vroeg ik al aan Arwen of we er al waren. Ze keek me schuin aan, ik lachte. Nooit geweten dat die stad zo steil was. We rijden er meestal met de auto en dan neem je allerlei bochten om vervolgens op de juiste plek te komen. Maar nu gingen we over paden, steile trappen, nog meer steile paden en nog meer steile trappen. In mijn hoofd spookte de woorden “niet genoeg geoefend”. Maar eenmaal bij het standbeeld stonden er toch wel heel wat mensen even voorover gebogen met hun handen op hun knieen om even op adem te komen. “Is het te hard?” Vroeg Valéria lachend. Ik toonde mijn spierballen en zei: “Ja, maar ik ben harder”. En zo liepen wij af op één van de mooiste Hongaarse ervaringen. Met klimmen en dalen door miljoenen, mijoenen bloeiende daslookplanten die vlakbij ons vertrapt werden door een stelletje dolle wilde zwijnen op de vlucht. Gaande de wandeling werd de sfeer prettiger en fijner. Heerlijk om hier onderdeel van te zijn. Er werd vooral ook veel gelachen en de ontspanning was op alle fronten merkbaar.

Nog maar net onderweg merkte ik op dat het gelukkig niet zo modderig was, ondanks de heftige regenval van de dag ervoor. Maar eenmaal een stuk verder sopten en slipten wij een modderpad af die onze schoenen bijna uitzogen. Arwen, met toch wel een in sport gegoten lichaam, liep schuin voor mij en zag haar glippen en glijden. Zwaaiend met haar armen probeerde zij zich overeind te houden. Dat lukte ook wel maar door de slappe lach leken haar benen ook slapper. Snikkend en gierend hielden wij elkaar overeind terwijl ik riep: je lijkt Bambi wel! Die scene op het ijs samen met Stampertje. Even keken we nog achterom en inderdaad, we waren gezien. Maar wij zagen van hen hetzelfde als zij van ons.

De stops onderweg waren kort en eentje was wat langer. Dat was bij een terras in Abaliget. Grote bieren verdwenen in de mannen. Ik bedacht als ik dat zou doen ik waarschijnlijk om mijn buik het laatste deel van deze tocht zou moeten afmaken. Dan maar een pittge koffie.

Het laatste deel van de tocht ging over grazige weiden met glooiende landschappen. De klimmen waren straf maar niet onneembaar. De afdalingen waren ook straf maar we lieten ons niet afschrikken. Tegen half vijf zagen wij het verlossende bord “Szentkatalin” en met een grijns van hier tot Jericho liepen wij het hek binnen bij het huis waar wij die nacht met z’n allen zouden slapen. Hans en Ron voegden zich een kwartier later bij ons. Maar eerst een grote bier om de dorst te lessen en mijn eerste echte grote wandeling te vieren.

Om het toch compleet te maken lopen wij woensdag de laatste 25 kilometer mee, samen met Ron dit keer. We kijken er nu al naar uit. Naar de warmte van de groep, naar energie die los gekomen is. Op weg naar de plek waar het allemaal om begonnen is. De eeuwige herdenkingsplaats van Bence. Slechts zeventien jaar geworden maar de energie die dat opgeroepen heeft is van een oerkracht die zijn weerga niet kent. Zarándoklat, mooi Hongaars woord.

Mip

 

Acht uur in de morgen. Wachten op wat er gaat komen.

Hans! Schiet nou op! Ik heb het koud! Nu ik zo die spillen pootjes zie begrijp ik wel dat sommige van de groep twijfels hadden of ik het wel zou halen. Maar spieren zijn  het, echte spieren.

Klaar voor de start. Klaar voor het grote moment waarvan wij geen idee hadden hoe het zou zijn.

Maar eerst nog een kaars bij de jonge amandelboom ter ere van zijn kind.

Valéria verteld het hoe en waarom. De meeste van ons hielden het niet droog.

 

En dan eindelijk op weg.

 

Aankomst in Szentkatalin.

Er zijn nog veel meer foto’s van de prachtige route. Die komen later, zijn nog niet in mijn bezit.

Uitslag.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Het was alweer in januari van dit jaar dat wij hem tegenkwamen. Tibor keek Hans met opgetrokken wenkbrauwen aan. Zijn ogen straalden verbazing uit. Hij bekeek hem van top tot teen, alsof hij niet kon geloven dat Hans hier in levende lijve voor hem stond.  “Hoe gaat het” vroeg hij oprecht geïnteresserd. Hans antwoorde dat het hem goed ging en dat hij zich ook goed voelde en lachtte er uitbundig bij. Tibor stak zijn handen nog eens diep in zijn korte leren jack. Het maakte hem jongensachtig dat jack. Anders dan die witte jas die hij draagt als hij praktijk heeft bij de afdeling urologie. Dan is hij toch echt meer de arts. Tibor kon zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en vroeg Hans of hij zich in Nederland had laten behandelen, want het was toch al minstens zeven jaar geleden dat hij zijn laatste onderzoek had gedaan. Het antwoord daarop was neen. Maar nu ik je toch spreek zei Hans, misschien kunnen we nog een keer een afspraak maken om opnieuw een scan te laten maken en te zien wat er in die tussentijd met de tumor is gebeurd. Tibor knikte, daar was hij zelf ook wel nieuwsgierig naar. Met de afspraak dat Hans de volgende week langs zou komen schudden zij elkaar nog eens flink de handen en zo scheidden onze wegen. Tibor het winkelcentrum in, wij het winkelcentrum uit.

Om half tien namen we plaats in die verschrikkelijke wachtgang. Vol met mannen met problemen. Althans dat blijkt uit de houding die ze aannemen. Meestal ietwat ingezakt en zeker geen vrolijk gezicht. De altijd aardige assistente riep ons binnen. Eerst volgde een klein onderzoek en daarna een gesprek. Hij maakte een lijst klaar voor bloedonderzoek, zijn assistente maakte een afspraak voor de scan die pas over tweeëneenhalve maand gemaakt zou kunnen worden. Dan nog even wat bloed afnemen voor het psa gehalte, zodat de prostaatproblemen alvast onderzocht konden worden.

Voor het bloedonderzoek moesten we naar een andere plek en dat werd later afgenomen en onderzocht. Na een week waren alle resultaten bekend. Alle bloed dat onderzocht werd was in orde en het psa gehalte liet een getal van een jonge vent zien. Daar wordt een mens al behoorlijk opgewekt van en nu alleen nog even wachten op de scan.

Twee weken geleden, Hans had een afspraak om negen uur, voegden wij ons weer in de volgende verschrikkelijke wachtgang. Vooral de verlichting, daar hebben ze iets mee. Meer dan de helft van de lampen worden niet gebruikt, er is geen raam waardoor zonnig daglicht binnen kan komen, zet er wat depresieve patiënten neer en eigenlijk heb je dan al helemaal geen zin meer in wat voor scan dan ook. Maar ja, we waren er en bleven dan ook maar. Hans kreeg een kan gevuld met een liter vloeistof die hij snel op moest drinken. Daarna een uur wachten. Omdat we niet in de wachtgang wilden blijven besloten we lekker uit de wind in de zonnige auto te gaan zitten. Radio aan, een beetje kletsen en het uur was zo voorbij.

Hoe zo’n scan precies werkt weet ik niet want ik mag er niet bij zijn., maar het schijnt nogal een kabaal te zijn als dat apparaat zijn werk doet. Enige tijd later was het alweer gebeurd. Of we nog even een uurtje konden wachten want dan was de uitslag ook gelijk klaar. We besloten maar boodschappen te gaan doen om zo de tijd een beetje door te komen. Bij terugkomst zat de wachtgang nog voller met mensen waarvan het geluk niet afstraalden. Maar gelukkig hoefden we niet lang te wachten. Met een klop op de deur en enkele seconden stond Hans ineens met de uitslag in zijn handen. In de auto begon ik te lezen, hoewel veel van die termen voor mij onbegrijpelijke taal is. Zowel in het Hongaars als het artsenjargon is voor mij onleesbaar. Maar wel kon ik Hans melden dat zijn hart oké was, zijn longen goed evenals zijn mild, lever, nieren en blaas. Bij de prostaat stond een getal waar ik verder ook niet uitkwam. Nu kun je zo’n uitslag wel vertalen via google maar die geeft soms de meest vreemde conclusies. Zoals bijvoorbeeld negen jaar geleden dat er een vliegtuig in zijn lever zat en dat hij een zwembad in zijn blaas had. We besloten te wachten tot vrijdag om de arts de volledige uitslag met uitleg te laten doen. Wel stuurde Hans direct een copie via de email naarTibor.

Op de email kregen we geen reactie van Tibor en om vreemde redenen gaf dat een goed gevoel. “Als het dramatisch is hangt Tibor vanzelf aan de telefoon” vertelde ik Hans om zowel hem als mijzelf gerust te stellen.

Anderhalve week geleden op vrijdagmorgen om zeven uur was er dan eindelijk telefonisch contact. Tibor las de uitslagen voor en klonk opracht opgelucht. :”en de tumor?” Vroeg Hans. Tibor las opnieuw en opnieuw.

Om kort te zijn. De tumor is verdwenen. Weg. Foetsie. Ergens in het nergens. En sinds die feestelijke dag merk ik dat Hans nog fanatieker zijn cbd druppels neemt. Zeker weten doen we het niet maar wat wel zeker is dat tumoren niet zomaar verdwijnen. Ze kunnen ongeveer gelijk blijven, ze kunnen groeien, ze kunnen uitzaaien maar verdwijnen doen tumoren nooit uit zichzelf. Hoe dan ook de uitslag is ons deze keer heel goed bevallen. Laat ik zeggen dat we de toekomst met een roze bril tegemoet zien. De lente lijkt zelfs mooier dan voorgaande jaren en volgens Hans fluiten de vogels mooier. Zo gaat dat dus met mooie uitslagen. Het leven ziet er ineens een stuk zonniger uit.

Mip

 

Sir Philip, Shepards Dream. Roepnaam Pip,

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Het was eind oktober 2006 toen hij in ons leven kwam, een half jaar voor wij naar Hongarije zouden vertrekken. Een ruim twee jaar oude border collie. Een reu. In de wieg gelegd om show hond te worden. Een eigenschap die je hem niet direct zou toedichten. Hij hield niet van wassen en al helemaal niet van kammen of borstelen.

Ik liet hem uit, omdat er zo een mooie band kan ontstaan tussen mens en hond. Zoals je vaak ziet. Mensen die de hond keurig aan de riem hebben en dat de hond dan er gewoon keurig naast loopt. Zo niet Pip. Met hem wandelen aan de riem was een gevecht. Hijj trok zo hard dat ik als het ware wapperend over straat ging. Eenmaal bij het grasveld liet ik hem los. Hij verdween in de bosjes en kwam terug met allerhanden rotzooi. Lege blikjes en plastic flessen hadden zijn voorkeur. Maar stokken, die had hij het liefst. En hij liet niet los. Op een avond, het was een koude gure regenachtige avond in december, wandelde ik met hem langs het spoor. De wind sloeg de regen fel in mijn gezicht. Het leek Pip niet te deren. In zijn bek droeg hij een lange stok waarmee hij mij steeds een tik in mijn knieholten gaf. Ik probeerde de stok af te pakken maar met geen mogelijkheid liet hij los en bleef hetzelfde geitnje maar herhalen. Tot ik er zo genoeg van had. Ik pakte de stok, keek hem aan en sprak de legendarische woorden: Pip nu go#@$%$@@domme die stok los! Hij keek me strak aan, opende zijn bek en liet de stok met een klap op de grond vallen. Hij las de verbazing op mijn gezicht maar haalde het niet in zijn mooie hondenkop die stok nog eens op te pakken. Het was de eerste keer dat ik won.

De hondenschool bracht uitkomst, maar niet echt. Pip was Pip en deed precies die dingen waar hij op dat moment zin in had. Maar hij ging wel beter luisteren naarmate we meer met hem deden. Gek op spelletjes. Ballen, frisbees, flossen en stokken. Zolang er maar actie in het spel zat en hij iets in zijn bek kon dragen. Tot die dag, vele jaren later, Beau (een ruim 1 jaar oude border collie) bij ons kwam wonen. Ik nam Beau alleen mee de tuin in. Aan de riem. ik probeerde hem wat dingen bij te brengen met wat korte commando’s zoals: volg, blijf, naast, zit, lig. Beau keek me met grote verbazing aan en had geen idee wat er van hem verwacht werd. En dat was tevens de dag dat Pip ongelooflijk door de mand viel. Hij was de tuin in geslopen en kwam aan de andere kant naast mij lopen. Bij elk commanda dat ik gaf deed hij Beau precies voor wat er van hem verwacht werd. Al die jaren had ons hi in de maling genomen. Hij wist gewoon alles, alleen hij deed het niet.

Nu moet ik ineens denken aan die dag in het voorjaar. Nog maar net aangekomen in Hongarije. Ik was aan het werk in de moestuin en bij elke gelegenheid lag er een frisbee voor mijn neus en ging hij een stuk verderop in actievorm klaar liggen voor de gooi. Na tien keer was ik het wel even zat. Ik gooide de frisbee en gebood hem te wachten. Na circa twee uur was ik uitgewerkt en kwam er toen pas achter dat Pip nog steeds lag te wachten op het commando “frisbee”. Arme Pip. Ik heb het later wel goed gemaakt met hem.

Al onze honden heeft hij les gegeven. En allemaal hadden ze diep respect voor hem. Tot gisteren. Hij takelde af. Sinds twee jaar gaf ik hem dagelijks zijn druppeltjes cbd’s om de pijn in zijn gewrichten te doven. Maar uiteindelijk was het zijn hart dat hem de das omdeed. Natuurlijk, hij werd doof en zijn zicht werd slechter maar het was zijn hart die zijn conditie omlaag trok. Wandelen deed hij nog elke dag. Rennen allang niet meer. Al een paar keer was de dierenarts gekomen om hem weer wat op te peppen met een spuit en wat pillen. Vooral tijdens de warme periodes was het bijna niet meer om aan te zien, maar toch krabbelde hij steeds weer op. Deze winter ging hij best nog redelijk maar toen de temperaturen net boven nul kwamen was het voor hem al teveel. Ik had gehoopt dat hij op een dag niet meer mee zou gaan. Dat wij hem op een morgen gewoon in zijn bench zouden vinden. Overleden in zijn slaap. Onze gesprekken over Pip liepen niet altijd synchroon. Maar gisterenmorgen waren we het eens. De dierenarts heeft ons nog een hele dag gegeven, maar aan het einde van de middag , na bijna vijftien jaar, was daar dan toch die finale injectie.

Pip, onze allereerste hond. Pip, de grote manupilator. Pip, de slimste hond van alle honden. Pip, mijn gesprekspartner in crisisdagen. Pip, de zwemmer. Pip, de beste frisbeevanger. Pip, de almachtige over alle honden. Pip, de eeuwige controleur. Pip, de baggeraar. Pip, de leraar voor mens en dier. Pip, ons beider grote liefde. Sir Philip, Shepards Dream, roepnaam Pip. Wij vinden dat hij bij ons een mooi leven heeft gehad. Maar ons leven was zeker niet zo mooi geweest als hij er niet geweest was.