De wandelgang.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Het was de laatste dag van mei. We vertrokken richting het dorp waar de groep samen zou komen. Nog voor wij ons eigen dorp verlieten werden we aangehouden door onze burgemeester. Hij stond midden op straat en zwaaide met beide armen om ons tot stilstand te manen. Hij stak zijn hoofd door het openstaande raam en legde zijn arm op de raamstijl. Ik lag bijkans op Hans’ schoot om het spervuur van zijn woorden zoveel mogelijk te ontwijken. Misi, alsjeblieft! Een beetje meer afstand riep ik hem in halfliggende houding toe. Hij lachtte en maakte met zijn arm het bekende wegwerpgebaar. Ach, dat virus, niets aan de hand sprak hij, terwijl hij zijn hoofd iets meer terugstrok. We stapten uit, hielden nu de nodige afstand, zodat hij zijn bijna niet in te houden vraag kon stellen. Het was eigenlijk een oude vraag van misschien wel acht jaar geleden waar de vorige burgemeester niets mee gedaan had en waar wij nu ook niets mee konden doen, omdat het antwoord op die vraag in het najaar gedaan moet worden. Het planten van wilgen.

We reden verder richting onze bestemming. Het weer werd slechter. Dat wil zeggen dat er bakken regen in de maak waren. Dondergrijs en gruwel, zo zag het eruit. Onderweg zagen we ze lopen. Met poncho’s en regenjassen. We keerden de auto, boden palinka aan en een zak vol stroopwafels. Het was een fijn weerzien want de meesten van deze groep hadden we oudejaarsavond voor het laatst gezien. Ze zagen er vermoeid uit en dat kan natuurlijk niet anders want ze waren al voor de vierde dag onderweg. De volgende dag zou de laatste wandeldag worden. Dan hadden zij er circa 175 km opzitten. En die laatste dag zou ik de resterende 25 km meelopen, onderweg naar de herdenkingsplaats van Bence. Ik had best wel wat geoefend, maar omdat Arwen er niet was in het begin van mei is het nooit tot een echte training gekomen. Zo gaat dat. Alleen doe ik best veel maar met Arwen zoek ik toch eerder de randen van mijn kunnen op.

De avond brachten we door in een groepsvakantiehuis. In dit huis was plek genoeg voor iedereen. Veel kamers en heel veel bedden, zodat slapen geen grote virusproblemen zou geven. Ik had chocolade taart gebakken, omdat ik wist dat ik daarmee veel liefde op mijn hals zou halen. Die ervaring had ik op ouderjaarsavond opgedaan en dat was een prettige ervaring. Maar die taart werd niet aangesneden die avond. Vali had een prachtige taart besteld waarin alle symbolen van Bence verwerkt waren. Het zou die dag zijn 19e verjaardag zijn geweest. Er werd gezongen, gehuild en daarna toch weer gelachen om de verhalen die opgehaald werden over jonge Bence. Een mooie vriendengroep.

De volgende morgen het ontbijt. Ontbijten met Hongaren is toch bijzonder. Daar waar wij yoghurt met muesli en honing eten, eten zij zsiros kenyér, een boterham gedoopt in een pan waarin het vet waar de avond ervoor de worsten in zijn gebraden. En een voorraad aan eieren en spek genoeg voor een bataljon.. De chocoladetaart werd aangesneden en in stukken verdeeld en meegenomen in de knapzak voor die dag. Zodoende ontving ik nu een hele dag liefde, iets dat ik best wel kon gebruiken bij die zware wandeling. Met nog zo’n 4 kilometer te gaan begon de lucht weer te betrekken. In de verte rommelde het. Bij 3 kilometer was het gedaan. Onvoorstelbare onweersklappen lieten mij ineen duiken, vooral omdat we net op open bospaden liepen. Toen kwam de regen. Hard en veel. Iedereen begon op zoek te gaan naar regenjassen en poncho’s. Maar voor de meesten van ons was het te laat. Doorwaternat binnen enkele seconden. Maar toch, vreemd genoeg kon het helemaal niemand deren. We liepen gewoon door en gingen verder met onze verhalen en soms net zoveel vragen. Ik ben dan wel de oudste van de wandelgroep, maar ben er ook het kortst bij. En iedereen is gezond nieuwsgierig en net zoals zij heb ik natuurlijk ook veel vragen. Zo leer je elkaar steeds beter kennen en ik kom er steeds meer achter in wat voor mooie vriendengroep wij terecht gekomen zijn.

De helling naderde. Vali plukte wilde bloemen, net zoveel tot ze een mooie bos had. Deze handeling herkende ik van vorig jaar. Die helling trouwens ook. Alsof je de laatste resten energie uit je lichaam moet halen om deze helling te beklimmen. En dan? Dan is er ineens dat vergezicht, het grasveld en het herdenkingsteken van Bence. Tranen vermengde zich met het stromende regenwater, waardoor een soort zee zout water langs de lippen stroomde. Hans ving mij op en bracht me naar de auto waarin een droge handdoek lag en droge (bijna warme) kleren. Ik stuurde Arwen een bericht: Ik heb het gehaald! En zij schreef terug dat ze eigenlijk niet anders had verwacht.

En nu, zo eind november moet ik alweer plannen maken voor een licht trainingsprogramma. Het liefst zou ik een flinke wandeling maken met één van de honden. Maar het virus houdt ons in de greep. Zeker vier besmettingen hier in het dorp, waaronder vriendin Brigi en de burgemeester en zijn vrouw. Je weet wel die man die dat weggooigebaar maakte. Hij schijnt zich niet zo goed te voelen. Over het wilgenproject zullen we het voorlopig maar niet hebben.

Míp.

NB: We hebben trouwens een uil op het balkon. Ik heb hem nog niet gezien maar wel gehoord. Ik vond ook stront en een uilenbal. Dit is geen grap. Maar als iemand hem mist in Nederland weet je waar hij zit en ik hoop niet dat hij blijft.

Vali en Zsuzsa. Moe en doorweekt, maar zeker voldaan.
Gyöngyi en ik. Hoewel ik een parmatigere foto van mezelf ken, wilde ik deze toch plaatsen. Hondsmoe en doorweekt maar toch heerlijk dat ik er weer bij mocht zijn.

Hok.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Het was begin mei van dit jaar. Door het virus wisten wij zeker dat wij deze periode geen bezoek zouden krijgen. Ron en Arwen, elk jaar present in de meivakantie, hoopten nog op een wonder, net als wij. Maar het wonder kwam niet. Ook andere vrienden, die wat later zouden komen zette een dik vet kruis door de afspraak. De mannen van de houtzaagclub, die samen met Hans tien kuub hout tot kleine porties zaagden en hakten, veegden de laatste spaanders bij elkaar als teken dat de klus erop zat. En ondertussen had ik een afspraak, een hele fijne afspraak.

Sinds twee jaar maken wij afspraken met mannen die iets kunnen. Loodgieters, electromonteurs en tegelzetters. Maar mannen die iets kunnen zijn druk. En mannen die iets kunnen zeggen altijd ja, maar bedoelen dan nee, omdat ze eigenlijk geen tijd hebben. Het wachten op mannen die iets kunnen hadden we al afgeleerd. Als ze niet komen op de afgesproken tijd weet je al dat ze helemaal niet komen. Tot er een klein wonder gebeurde.

De overbuurjongen kwam mij halen. Of ik even wilde kijken naar de nieuwe keuken en badkamer die hij cadeau had gedaan aan zijn moeder. Ik ken dat huis van binnen en werd dan ook zeer aangenaam verrast wat ik daar aantrof. Een prachtige keuken, mooi betegelde vloer, mooie wanden en fraai verlicht. Alles sfeervol. Toen werd ik meegetrokken naar de badkamer. Eigenlijk hetzelfde als in de keuken. Geen ander woord dan sfeervol. Op mijn vraag wie dit allemaal gedaan had stapte er een dikkige jonge man naar voren. Hij wees op een leuke half zigeuner jongeman. Wij hebben dit gedaan sprak hij met een lichte aragantie in zijn stem. Hebben jullie tijd voor nog een badkamer? Mijn stem sloeg er bijna van over. Ja, dat hadden ze wel. Niet nu maar over een paar weken zeker. Ik trok hen mee naar huis en liet het ons “hok” zien dat de naam badkamer droeg. Al jaren een grote ergernis waarvoor al lange tijd plannen en tekeningen klaar lagen. Ik zal u de details besparen, maar degenen die onze badkamer kennen weten precies wat ik bedoel. Een onoogelijk hok.

Daar wij in de loop der jaren al wat ervaring hebben opgedaan met aannemers, zouden we het dit keer anders aanpakken. Ten eerste konden we nu gebruik maken van onze ervaring en ten tweede was er geen taalbariere meer, omdat ik de taal ondertussen redelijk onder de knie heb. We namen alles door. Wat we wilden veranderen aan de opstelling, wat we weggewerkt wilden hebben en hoe de betegeling moest komen. Dat laatste alleen op plaatsen waar water stroomt: douche, wasbak en toilet. We spraken een prijs af, daarin verwerkt alleen hun werk dat bestond uit: slopen, water, electra, rolering en verwarming en natuurlijk weer opbouwen. Daarna kwam de tegelzetter waarmee we ook tot een overeenkomst kwamen. Eindelijk hadden we ze in huis, de mannen die iets kunnen.

Tien dagen was de berekening. En nu het toch mei was was het niet erg dat de verwarming werd afgekoppeld en dat we voor die tijd alleen water in de keuken hadden. Wassen kun je voor even best met een teiltje, of in het geval van Hans met een plantenspuit (overgehouden aan zijn woestijnreizen waar water schaars was). Voor het toilet hadden ook al een oplossing gevonden, dus geen probleem. Mannen die iets kunnen, kunnen veel. Maar wat mij toch wel is opgevallen, dat weinig van hen kunnen plannen. Toch geen kleinigheid als je een werk aanneemt en daarmee weken lang dagelijks over de tijd van de opdrachtgever gaat beschikken. Niet alleen de tijd maar natuurlijk ook de ruimte. Want buiten het hok dat badkamer heette namen ze ook de keuken, de aangrenzende kamer, de veranda en een groot deel van de binnentuin in beslag, waardoor je bijkans je nek brak over slangen, rioolbuizen en andere obstakels. Je wordt een horderloper in je eigen huis. Overigens geen slechte lichaamsoefening.

De sloop begon op 19 mei. De totale onttakeling van het hok ging eigenlijk redelijk snel. Alles moest vernieuwd, van waterleiding (die trouwens bij de minste aanraking uit elkaar viel, dus was best wel een beetje nodig) riool (dat helemaal omgelegd moest worden), alle electra en centrale verwarming. Het is mogelijk om hoopvol te worden van een enrome puinzooi. De vloer werd uitgediept en als je weet wat leem is weet je ook wat stof is. Ondanks dat we de aangrenzende kamers met folie hadden vergrendeld begon de stoflaag daar toch aan te groeien. En het werd ook nog koud, zeker voor de tijd van het jaar. De winterkleren waren nog niet allemaal ingepakt en dat kwam mooi van pas. Vooral dikke truien en sokken waren een veel gewild artikel in dit huis.

Doordat de planning niet al te vlotjes verliep moest de tegelzetter verzet worden. Maar toen die eenmaal kwam bleek dat hij was vergeten de vloer in het aantal vierkante meters te verwerken. Toch best wel fijn in een badkamer leek mij zo. Toen ook dit probleem was opgelost kon het werk weer verder. Mijn naam schalde veelvuldig door de ruimte, omdat ik de opzichter van dit werk was. Steeds als ze Hans iets vroegen wees hij naar mij en dus vroegen ze hem uiteindelijk niets meer. Ook op de vraag: Míp, waar is jullie andere toilet? Ik wees hem op het hek naar de achtertuin. Als je daar doorheen gaat loop je ongeveer nog 250 meter door tot het einde van de tuin. Daar kun je kiezen tussen de bosrand of linksaf slaan of rechtsaf slaan. Dat wij een andere oplossing hadden ging ik hem nu even niet vertellen. Al die tijd hadden ze er niet bij stilgestaan dat er helemaal geen tweede toilet was. Tja, mannen die iets kunnen kunnen natuurlijk niet overal rekening mee houden.

Het schoot allemaal niet op. Het lukte maar niet om ook maar één dag achter elkaar te werken. Steeds weer hoorde ik die auto starten en zag hen wegrijden op weg naar weer een één of andere winkel, omdat ze iets vergeten waren. Soms wel een paar keer op een dag. Nu moet je weten dat de dichtst bijzijnde winkels hier ongeveer tien kilometer vandaan zijn. En vaak hebben die winkels precies niet dat op voorraad wat je nu juist nodig zou moeten hebben. Dus bestellen of naar een winkel vijfentwintig kilometer verderop. Er begonnen scheuren te komen in mijn geduld. Geen haarscheuren maar echt diepe lelijke scheuren. Een stevig gesprek moest helderheid brengen. En dan komt het, iets zo typisch Hongaars. Zij konden er niets aan doen. Het was of de tegelzetter of de winkel of de auto of, als hij even buiten beeld was, de electromonteur. Maakte niet uit, maar zijn schuld was het zeker niet. Maar gelukkig sprak ik mijn woorden helder en duidelijk, er moest doorgepakt worden anders zou ik ze niet verder betalen.

Welnu, op 8 juni, 19 dagen later pakten zij hun spullen bij elkaar, legden die in de auto en voor de laatste keer reden ze weg. En dat was net op tijd. Anders had Hans hen bij kop en kont buiten de de deur gezet. Gelukkig voor hen heb ik hem dagen tegen kunnen houden, hoewel mij dat bijna meer energie had gekost dan de 19 dagen dat zij ons huis hadden overgenomen.

Het hok is nog steeds een hok. Maar wel een mooi hok. En ze hebben alle taken goed uitgevoerd en alle dingen weggewerkt die weggewerkt moesten worden. Ze hebben een grote ergernis bij mij weggenomen. Maar allemachtig nog an toe, wat was dat een opgave. En volgende week gaan we verven, dan is het hok helemaal af. Want dat was er nog niet van gekomen.

Míp

De sloop in volle gang.
De wederopbouw mét vloertegels.
Hans, met zij zelf gemaakte douche.

De rust is terug.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Weinstein en Trump waren hun namen. Het laat zich misschien al raden dat deze namen niet voor niets waren gekozen. Het geeft ook wel direct aan wat mijn gevoel voor deze twee was.

Normaal gesproken, als er meerdere hanen binnen een toom zijn, knokken die elkaar bijkans de hele dag de tent uit. Deze twee niet. Weinstein en Trump konden het juist heel goed met elkaar vinden. Zij kregen hun namen ook later, toen zichtbaar werd met welk karakter beiden behept waren. Nooit echt aardig tegen de kippen. Nooit eens lokken als er lekkere dingetjes te eten waren. Nee, alles zelf opvreten en wel zo snel mogelijk. Ze pakten hun kans toen op een dag onze liefste Bruno dood in het houthok lag. Wat zijn doodsoorzaak was konden wij niet ontdekken. Geen sporen van gevecht of beten van een één of andere onverlaat in de vorm van een marter of iets dergelijks. Helemaal niets. Maar sinds de dag van Bruno’s dood namen zij de toom in een vloeiende beweging over.

Het werd een nachtmerrie voor onze kippen, terwijl het gewoon op klaar lichte dag plaatsvond. Als één van hen zin had in een “lekker kippie” dreef hij haar in de hoek en bij tegenstribbelen kwam de ander even een handje helpen. De kip schreeuwde het uit, waardoor alle andere kippen alle kanten op renden en zich probeerden te verstoppen op plekken waar ze niet gevonden konden worden. Hardhandig grepen ze met hun harde snavel het kipje bij de nek, zette hun krachtige hanenpoten op de rug van het kipje en het verkrachtigsritueel kon beginnen. Om de beurt er overheen en misschien nog wel een keer. Vooral Oma, onze oudste krielkip, behoorde heel vaak tot het slachtoffer. Nooit heb ik een hekel aan hanen gehad maar deze twee, ik kon ze wel wurgen.

Dat laatste gebeurde met Weinstein. Eenmaal met z’n allen in het nachthok was het niet moeilijk. De twee arogante kwasten zaten naast elkaar op stok en zodoende kon Hans (want ik kan dat echt niet, sorry) met een lamp het hok in om de bruut bij zijn verenpak te grijpen. De dood volgde er al snel op. De volgende dag heb ik hem geplukt en ingevroren. Op de vacuumzak staat zijn geboortedatum en zijn sterfdatum vermeld met als titel: Weinstein, hij is nooit aardig geweest.

Nu bleef Trump over. Met dit idee dat het nu beter zou gaan, zat er ook nog een kans in dat hij een nieuwe naam zou krijgen. Maar hij behield zijn naam. Hij bleef de bruut die hij al was ook als was hij nu alleen. We spraken erover en waren het met elkaar eens dat ook deze van ons tuinpad moest verdwijnen.

Het gebeurde op een dag die niet afgesproken was. We stonden klaar om te vertrekken naar de wandelgroep, de volgende dag zou ik de laatste dag van de pelgrimstocht meelopen naar Bence. Hans liep buiten, bij het huis. Er klonk gegil. Oma lag plat onder de haan. Adrenaline deed zijn werk. Hans werd zo kwaad dat hij in één klap de haan met een stok van Oma afsloeg. Trump probeerde nog te ontsnappen, maar het was te laat. Zijn laatste seconden waren geteld. Met nog wat tegenstribbelen moest hij het opgeven. Ik belde Brigi, die in eerste instantie mijn vraag niet helemaal begreep. Of zij Trump wilde hebben, maar hem dan wel eerst schoon moest maken. Bij terugkeer van de pelgrimstocht vertelde ze dat hij 2,5 kilo woog en heerlijk gesmaakt had. En zo blijkt maar weer, beter één haan in de pan dan één zo’n galbak in je tuin.

De toom kwam tot rust en de kleine zijdehoentjes groeiden als pluizende kooltjes. Al snel bleek dat ook daar haantjes tussen zaten. Na enige controle bleken het er vier. Maar omdat ze zo pluizig zijn ziet ook een zijdehoenhaan er liever uit. Toch, het pakte iets anders uit. Omdat de meisjes zijdehoen nog niet geslachtsrijp zijn, waren weer de oude kippen en vooral ook Oma-kriel de pineut. Nu hadden wij met elkaar afgesproken, dat wij deze soort niet naar de slachtbank zouden brengen, maar weggeven aan iemand die ze graag wilde hebben. Ik deed een bel- en emailronde. Van degene die eerst wel wilde, bleek niemand op dit moment (maar misschien wel een ander moment) plaats te hebben voor deze donzige mannen. Ondertussen renden de oude kippen de marathon en de triathlon in één keer. Maar het hielp hen niets. Met vier hanen is de kans op vluchten nul komma nul. Toen schoot mij iets te binnen.

Eva, die hier een stuk verderop in de straat woont, heeft ook een grote groep zijdehoentjes. Het is een lieve vrouw die goed voor haar beesten zorgt. De zijdehoentjes heeft ze voor de verkoop, omdat die qua kip best wel wat waard zijn. Ik schreef haar dat ik drie haantjes in de aanbieding had en dat zij ze gratis mocht hebben. Gisterenmorgen, om acht uur, zoals afgesproken, stond ze voor de deur. En zoals ook afgesproken, was het nachthok nog dicht. Ik kroop in het hok. Hans en Eva stonden klaar om mijn vangst aan te nemen. Het was even graaien en spartelen. Ook hanen kunnen heel hard gillen en daarbij ook nog eens heel hard lopen. Maar het lukte. Eva hield de aangepakte hanen op hun kop, met hun poten in haar handen. Ze wikkelde er een touwtje om als een volleerde bloembinder. Daarna rechtop, zoals een mooie bos bloemen en daarna in haar tas. Zo wandelde zij naar huis. De hanen op weg naar een nieuwe toekomst. Onze kippen ook. Alleen Remie, de witte haan is achter gebleven. Hij is lief en voorkomend. Hij tokkelt als er lekkere dingetjes te halen zijn. De toom gelukkig. Wij gelukkig. De rust is weer terug.

Míp

Trump en Weinstein, toen ze nog jong en lief waren.
De drie haantjes die als een mooi boeket door Eva werden meegenomen.
Remie, onze mooie zijdehoenhaan, die mocht blijven.

Vrienden, wat moet je zonder?

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Het was in de maand dat de zijdehoentjes werden geboren, april. Op de helft van die maand zaaiden wij onze eerste hennep. De moestuin was al op orde en Hans verdiepte zich in het precies aanleggen van de druppelslang. Om de 35 cm een gaatje, waar dan, als de slang aangesloten is op de 1000 liter container, om de enkele seconde een waterdruppel uit komt. Het werd passen en meten, vooral ook om rekening te houden met de rij-afstand, want hennepplanten kunnen flink uit de kluiten gewassen planten worden. En daar moesten we wel het één en ander voor doen om die planten zo ver te krijgen.

Ik had een plan waar Hans zich niet helemaal in kon vinden. Wie anders dan Boeren Leen kon ons van advies dienen. Ik kreeg het gelijk aan mijn kant. We gingen inzaaien, maar niet alles in één keer, zodat de groei verdeeld zou kunnen worden. Want ik dacht natuurlijk al aan oogst, terwijl er nog geen zaadje in de grond zat. Dat oogsten wilde ik verdelen in tijd, zodat, als het eenmaal zo ver was, wij niet al die planten in één keer hoefden te oogsten. We zaaiden zoals afgesproken, om de twee weken en dat in drie keer. Schroevendraaier mee om de juiste gaatjes te maken. Niet te groot en ook niet te diep, maar dan weer wel diep genoeg om goed te kunnen wortelen.

Bij elk gaatje in de druppeslang kwam een gaatje in de aarde en in elk gaatje verdween een hennepzaadje. De kraan van de 1000-liter container werd opengezet en zo vielen precies bij elke zaadje de druppels. Zonder verspilling en zonder dat ook het onkruid water zou krijgen. Omdat ik ondertussen ook best wel veel van zaden weet, zaaide ik thuis in een grote bak extra hennep. Voor “je weet maar nooit”. Want niet elk zaadje wordt een plant, weet ik uit ervaring. Toch liep het ook nog anders.

We zaaiden om de twee weken, zodat half mei alle zaadjes in de grond zaten. Maar het weer zat wat tegen, het wilde maar niet echt warm worden en als hennepzaadjes ergens van houden dan is het wel van warmte. Elke dag controleerde ik de groei, maar er gebeurde niet veel. Hoewel de voortrekbak bij huis al de eerste tekenen van groei gaf. Maar op een dag zag ik de eerste twee gekartelde blaadjes, die zo kenmerkend voor hennep zijn, boven de grond uitsteken. Inderdaad, bij het hele slangenstelsel tegelijk. Dus mijn idee van gespreid zaaien en daarmee een gespreide oogst zag ik die dag al meteen in rook opgaan. En ook kwamen niet alle zaadjes uit. Maar de voortrekbak gaf de oplossing. Bij elke lege plek kon ik daarom een voorgetrokken plantje in de grond zetten en zo kwam toch nog de halve moestuin vol hennep te staan.

Als je dan denkt dat je er bent, heb je het mis. Er zijn namelijk vrouwelijke en mannelijke planten. Maar dat kun je niet direct zien, althans ik niet want zoveel verstand heb ik er dan toch ook weer niet van. Bij sommige hennepplanten is aan het blad te zien wat een man en/of vrouw is. Jawel, één plant kan ook tweezijdig zijn. Maar in het geval van onze soort was dat niet te zien, dan moet je wachten tot de bloei. Als de plant een soort bloeiwijze van hop laat zien, dan is het een mannetjes. Leuk om te zien en bijen zijn er helemaal gek van, maar eigenlijk zijn die mannetjes niet zoveel waard. De dames daarentegen geven mooie grote toppen en geven zoveel geur af, dat je er blij van zou kunnen worden. Gelukkig in ons geval waren de dames ruimschoots in de meerderheid.

Maar dan de volgende vraag: wanneer kan zo’n plant nu geoogst worden? Welnu, de toppen moeten een bepaald stadium bereiken, die je zo op het oog niet kan zien. Volgens mij waren ze goed maar volgens Hans moesten we wachten . Elke dag met de loep in de hand op pad. Het kon nog wel even duren. Onze hulptroepen werden opgeroepen en weer afgebeld, toch nog maar even wachten.

Toen kwam die dag dat de natuur ons wel heel goed gezind was. Buiten werd het aardedonker terwijl het nog midden in de middag was. Door het raam zagen wij een beangstigend zwarte wolk aankomen met de kenmerken van een supercel. We keken door het raam, handen in het haar en dat schijnt geholpen te hebben. De wolk trok tergend langzaam voorbij en naar later bleek loste deze wolk zich boven Pécs. Hagelstenen ter groote van grote bitterballen aangzwengeld door een storm en daarna een verpletterende regenbui, die de straten liet overstromen. Poeh, dat was even een opluchting, maar wel met de kak tussen de billen.

Eindelijk dan brak de dag aan dat de loep zo’n beeld gaf dat de oogst kon beginnen. Het weer werkte mee en om de hitte niet al teveel invloed te laten hebben trok Hans een flinke lap stof op, om zodoende een lekkere schaduwplek te krijgen. Vriend Gábor en vriendin Brigi schoven aan de lange tafel, op juiste afstand vanwege dat nog steeds rondwarende kl..te virus. Het grote werk was begonnen. Hans maakte pörkölt voor tussen de middag, zodat niemand van de honger om zou komen. Toen Brigi verdween, kwam vriend Ference en met elkaar knipten we en plukten we weer verder.

De volgende dagen was Gábor elke morgen om acht uur present. Sandra, met haar altijd gezellige verhalen, schoof aan en niet veel later Flloor ook. Arie en Elizabeth, de doorgewinterde oogsters omdat zij al jaren met druiven werken. Niet helemaal hetzelde, maar wel in verband met goed teamwerk. Ze gingen als een speer. En nog diezelfde dag ook Vali en Zoli, ook al van die teamspelers. En natuurlijk staken wijzelf ook flink de handen uit de mouwen. Aan het einde van week was het dan zover. Hans haalde samen met Gábor de laatste planten, of zeg maar liever bomen, uit de tuin en de klus was geklaard. Ondertussen kregen we nog meer aanbiedingen voor helpende handen. Maar dat is voor volgend jaar, dat is al afgesproken. Vrienden, wat moet je zonder?

Onze hennepplantage was niet zo heel groot, maar best wel hoog.
Start van het grote werk. Gábor en Brigi, de schatten.

Het was beste wel even aanpoten.

Team spelers, er is geen ander woord voor.

Dit was de bui die wij niet kregen maar tergend langzaam aan ons voorbij trok. Poeh!!!

Moederkloek bij uitstek.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

We hebben nieuwe kippen. Althans dat was eind april al het geval. Hans bestelde de eieren bij een bekende zijdehoendervrouw, die stuurde de eieren per post op. Allemaal keurig verpakt in een speciaal verzendzakje met daarop met de hand geschreven welke soort het was. Ook voor vriendin É, kippenvrouw bij uitstek. Met de grote doos vol kleine schatten reden we naar É, die thuis een prachtige broedmachine heeft staan. Voorzichtig pakte ik alle (40) eieren uit en É stelde ondertussen het broedwonder in. Ik had trouwens geen idee hoe het werkte. Maar na een kleine les begon ik te snappen dat É dus de taak van de broedende kip moest overnemen. Op tijd draaien en keren, ook midden in de nacht. Waarvoor zij dan wel haar wekker steeds moest zetten en dat 21 dagen lang. We lieten de eieren met een gerust hart achter, want zij is wel de beste moederkloek die je je maar voor kunt stellen.

Vier dagen later begon Halve Kip (zo is haar naam, omdat ze half kriel /half kip is) gedrag te vertonen dat mij bekend voor kwam. Ze bleef te lang op het nest, liet andere kippen toe om hun eitjes bij haar te leggen en stal zoedoende op een dag 6 eieren. Broeds dus. Ik schreef de zijdehoendervrouw en bedacht dat het mooi zou zijn de eieren terug te halen en die onder Halve Kip te leggen. Haar advies kwam al binnen enkele seconden: “Niet doen!” en wel om de reden dat de Hongaarse wegen zo slecht zijn, dat wij zeker met geklutste eieren terug naar huis zouden keren. dat was natuurlijk niet de bedoeling. We gaven, op haar advies, Halve Kip drie eieren waarop ze kon broeden. Wel eerst goed schudden, zodat er geen kuikens uitgebroed konden worden. We reden met de auto heen en weer, nee dat is niet waar. We schudden de eieren flink, legde ze in een mand met stro, pakte Halve Kip op, legde haar op de eieren en sloten de garagedeur. De plek waar ze in alle rust en zonder door andere kippen lastig gevallen te worden en zonder dat zij steeds weer diezelfde kippen zou uitnodigen om er nog een paar extra eieren bij tte leggen, haar broedsel kon verwarmen, draaien en keren. Een kip is slim en soms moet een mens net iets slimmer zijn, vandaar.

Op dag 21, Halve Kip was ondertussen zo plat als een pannenkoek en twee keer zo breed als normaal, rinkelde de telefoon. De geboortegolf was begonnen. Eierschillen kraakten aan alle kanten, waardoor de kleine snaveltjes zichtbaar werden. Tijd om in de auto te stappen en ons nieuwe pluimvee op te halen. Aangekomen zaten de eerste geboren exemplaren al in een doosje met warme kruiken en zachte doeken. Echt É, de moederkloek bij uitstek. 23 van de veertig eieren kwamen uit, waarvan wij er 10 mee naar huis namen. Met warme kruiken en zachte doeken. We moesten wachten tot de zon onder zou gaan (zo was het advies van zijdehoendervrouw). We openden de garagedeur, ik pakte de nog steeds pannenkoek platte Halve Kip op, Hans pakte haar eieren en gaf haar er tien bloedjes van kinderen voor de terug. Binnen 1 seconden gebeurde het. Ze keek naar ons, keek onder zich en kon haar ogen niet geloven. “Ik ben moeder!” ze zei het niet, maar het leek er wel heel erg veel op. Haar verenpak veranderde van pannenkoek naar moederkloek. Tegelijk met de geluidjes die erbij horen als een kip moeder wordt.

En zo begonnen wij aan het begin van een lange zomer aan het experiment kip en ei, waarvan ik nu kan zeggen dat het goed geslaagd is. Maar eerlijk is eerlijk, zonder Halve Kip weet ik niet of dit mij wel gelukt zou zijn. Want vriendin É, moederkloek bij uitstek, heeft al haar bloedjes van kuikentjes helemaal zelf opgevoed en die zijn er ook heel goed aan toe.

De zijdehoendervrouw gaf ons al de waarschuwing dat dit ras heel bijzonder is. Bijzonder leuk, maar soms ook bijzonder dom. Ik geef het toe, we hebben zelden zo moeten lachen om kippen die struikelend over hun eigen poten duikelend het kippenhok uit komen.

De twee haantjes kukelen alweer een tijdje en de hennetjes zouden tegen het einde van deze maand hun eerste eitjes moet leggen. Maar ja, het zijn zijdehoenders. Die zijn heel bezonder. Het zou maar zo kunnen zijn dat zij er hun eigen tijd op na houden.

En zojuist vloog ik naar buiten, omdat er paniek in de toom klonk. Nog staande op het terras zag ik een grote buizerd opvliegen. Gewoon midden in de tuin.! Ik ga nu eerst mijn kippen tellen. Want het lijkt heel wat met die veren, maar het weegt helemaal niets. Ik ga Bence instructies geven, want die heeft enorm de pest aan buizerds.. Wegjagen, die vogel! En wel heel snel,

Míp

Even optillen…
Even zien of de kust veilig is en dan…
Hup naar buiten.
Opgroeiend, tja wat eigenlijk?

Check, check, double check.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Eerste check. Het weerbericht bekijken in verband met aan te trekken kleding. Voor zondag was dat nog een korte broek en t-shirt. Voor vandaag een extra trui, winterjas, ijsmuts, wanten en een sjaal. Kaplaarzen staan buiten, die komen later.

Tweede check. Tekenpen. Ondanks, of juist dankzij, de steeds weer wisselende temperaturen is de tekenplaag dit jaar vroeg op gang gekomen. Onze honden en katten krijgen nog geen druppels, omdat er in die druppels zoveel troep zit dat we dit liever zoveel mogelijk beperken. Tijdens het wandelen controleren we de honden- en kattenjassen op inwoning en als die gevonden wordt doet de tekenpen het juiste werk.

Derde check epipen. Ook wespen zijn alweer volop in de running met het bouwen van nesten om te zorgen dat ook een volgende generatie mij het leven weer een beetje zuur kan maken. Niet dat ze nu op zoek zijn naar mij,  maar het overkwam mij wel dat ik er bijna eentje in mijn hand had tijdens het kippen voeren. Gelukkig was dit nog een slome duikelaar want in de moestuin zijn ze vele malen actiever dan dit exemplaar. Zeker nu, toen ik hem van schrik onder mijn zool verpletterde.

Vierde check. Anti-mug. U begrijpt het al. Ook de muggen zijn zich op dit moment al tot een plaag aan het ontwikkelen. Door de zachte of eigenlijk geen winter is hun aantal niet geslonken. Hun dans in het luchtledige laat vele exemplaren zien die best wel dorstig zijn naar bloed.

Alles in gereedheid voor de ochtendwandeling met de honden. Die laten wij uit achter in de tuin. Dus kunnen we naar buiten zonder speciale handschoenen en een masker.

Als we boodschappen moet doen is er een andere check.

Eerste check. Handschoenen en een masker.

Tweede check. Pinpas, omdat met papier geld betalen niet geliefd is.

Derde check. Ach, die derde check hoeft nu eigenlijk niet meer maar het was een meetlat van anderhalve meter, zodat mensen precies weten hoe ver dat is. Eerst had ik het plan om mensen te vragen naar mijn lengte. Die is namelijk 1.62 m. Dus iets langer dan 1.50 m. Maar wel ongeveer in de buurt van de afstand die bewaard moet worden als je in de rij bij de kassa staat. Toen ik een man vroeg, die achter ons in de rij stond en met zijn kar steeds tegen mij aanduwde, wat meer afstand te nemen werd hij boos. Hij mumelde iets over onzin. Met nog een blik naar achteren begreep hij dat het menens was. Hij stapte terug tot er genoeg ruimte ontstond. Had hij dat niet gedaan, zo had ik verzonnen, dan zou ik mij op mijn rug op de winkelvloer vlijen en daarmee precies de afstand kunnen aangeven die aan iedereen gevraagd wordt. Toch is dat natuurlijk niet helemaal een goede oplossing. Je wordt er vies van en zo’n vloer is in deze tijd van het jaar ook nog eens ijskoud. Daarom bedacht ik een ander plan.

Zoals u weet zijn veel artikelen niet meer te koop. In Hongarije is dat vooral meel, bloem en broodmeel. Maar zeker als wij boodschappen gedaan hebben zijn de schappen van bruine bonen, linzen, witte bonen, kikkkererwten leeg. Net zoals de uien, prei en knoflook na onze komst volkomen uitverkocht zijn. Daarvan maken we dan heerlijke gerechten en het “ruften” kan beginnen. Wij noemen dit het anderhalve meter afstand dieet. En ik kan u verzekeren dat het helpt. Het helpt zelfs zo goed, dat er helemaal niemand meer achter ons wil staan. Tja, korona (in het Hongaars met een K) maakt inventieve dingen in de mens los.

Míp

Ik seponeer.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Twee woorden: Ik Seponeer. Wist u dat tranen letters kunnen vergroten en dat je dan leest

Ik seponeer.

Drieeneenhalf jaar heeft het moeten duren, voordat die woorden eindelijk op papier konden worden gezet. Justitie heeft in al haar wijsheid deze woorden samengesteld. Met daar achteraan nog drie a-viertjes uitleg waarom ze tot die conclusie waren gekomen. Wel moet ik de complimenten maken aan de resercheurs. In hun proces verbaal hebben ze alles in goede bewoordingen weergegeven. Waarom we de zaden hadden besteld en tot welk doel die moesten dienen. Namelijk om cbd-olie te maken voor onze buurman met kanker en voor Hans die uitbehandeld was met prostaatkanker. Tevens las ik “nadat de bestelde zaden in beslag zijn genomen, hebben ze zich niet meer met deze zaden beziggehouden, ze verkrijgen deze (industriele hennep) ergens anders vandaan, ze bekomen  deze van een officiele teler van industriele hennep”.

Die twee woorden: ik seponeer, maakte van onze grijze dinsdagmorgen ineens een dag om nooit te vergeten. Tranen, opluchting, blijheid, ja zelfs vloeken. Het leek alsof mijn huid ineens weer kon ademenen, dat er weer ruimte in mijn hersenpan kwam, dat mijn ogen weer beter konden zien. De stress van drieeneenhalf jaar leek mijn lichaam als een tsunami te verlaten en maakte plaats voor een gelukzalige ontspanning waarvan ik niet meer wist dat die nog bestond. Ik keek naar Hans. En zag zijn ogen glanzen, van de tranen maar ook omdat de doffe laag van de laatste jaren leek te zijn verdwenen. In één klap.

Dit is het antwoord op de vraag hoe het voelt om verdacht te worden van iets waar je niet schuldig aan bent en waar je het gevoel van krijgt dat er niet wordt gezocht naar de waarheid maar naar een middel om je alsnog achter de tralies te krijgen.

Maar justitie kwam er in al haar wijsheid achter dat er fouten waren gemaakt die ons niet konden worden aangerekend. Het bestelde zakje hennepzaden had voorzien moeten zijn een document. Daarop staat aangegeven welke soort, hoevel thc (mag op zijn hoogst 0,2% zijn, terwijl er in de wietversie minstens 12% zit) en hoeveel cbd de volgroeide planten bezitten. Dat document was door de leverancier niet meegestuurd.

Toch stonden ze er, die woorden: ik seponeer. En met die twee woorden kunnen we ons leven weer oppakken. Nieuwe plannen maken en doorgaan met waar we al mee bezig waren.

In de moestuin heb ik al een mooie ruimte gemaakt om hennep te gaan telen. Want ondanks de uitkomst van het onderzoek, waren we hier al mee aan de slag gegaan. Dit keer uit Hongarije, met op de zak een aangenaaid document. Eerst naar de burgemeester, dan naar een instantie waar het geregisteerd wordt en daarna naar de politie. Het dokument zal voorzien worden van stempels, handtekeningen en goedkeuringen van alle instanties. Met dit document is het namelijk toegestaan om zelf hennep te telen. Tja, we hebben veel geleerd de afgelopen drieenhalf jaar. Ook dat twee woorden: “ik seponeer” je leven weer terug geven.

Míp

en dan hier nog de foto na het openen van de envelop.

De steek, de pen en de liefde.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

kortgeleden las ik een stuk in dagblad Trouw. Niet echt mijn krant maar Runa Hellinga, met wie wij bevriend zijn, schrijft soms fijne interessante informatie over Hongarije. Onderstaand stuk is niet van politieke aard maar geeft wel weer hoe de stand van het land kan zijn. Je moet wel op de link klikken om het stuk te lezen.

https://www.trouw.nl/buitenland/een-wespesteek-is-in-hongarije-extra-gevaarlijk~b1415794/

23 jaar geleden, het was op 16 augustus 1996, kwam ik er achter dat ik een wespenallergie had. Het was wel een beetje laat om erachter te komen, want na een minuut begon mijn lichaam tekenen te geven dat het niet helemaal goed met me ging. Om kort te zijn, want velen kennen mijn verhaal al, na anderhalve minuut verkeerde ik in een comateuze situatie. Mijn longen functioneerden nogal weinig en mijn hart tikte niet meer zoals het daarvoor deed. Als Hans niet zo snel een ambulance had gebeld lag ik nu keurig ergens op een begraafplaats met een steen aan mijn hoofdeinde. Ze hebben mijn leven gered, Hans en de ambulance broeder en zuster.

Na grondig onderzoek door de allergoloog bleek dat mijn allergie dodelijk was en bij een volgende steek zou ik dan helemaal geen tijd meer hebben. Ook geen minuut. Hij deed mij een voorstel, dat ik met beide handen aanpakte. Vijf jaar een wekelijkse injectie met wespengif, dat dan langzaam opgevoerd moest worden. Het begon met 1 miljoenste en steeds iets meer. Vijf jaar lang liet ik mij gelaten vergiftigen maar na uitvoerig onderzoek bleek ik niet al teveel antistoffen aan te maken. Een nieuw contract van nog eens vijf jaar werd snel getekend. In 2006 besloten wij te verhuizen naar Hongarije en sloot ik daarmee mijn kuur na tien jaar af. De allergoloog was er niet blij mee maar voorzag mij van allerhande handige tips en schreef mij anti-histamine en een nieuwe  epi-pen voor. Die epi-pen, zo sprak hij, moet je altijd bij je dragen vooral als het augustus is.

Hier bij ons zijn veel wespen en niet alleen in augustus. Slechts in de koudste wintermaanden zijn ze niet actief. In de periode dat wij hier wonen ben ik vier keer gestoken. De eerste twee gaven geen resultaat behalve dan dat ik mij helemaal het lazerus schrok. De derde was een steek in mijn nek die zich omvormde als een soort olifantspoot. Mijn epi-pen gebruikte ik niet, omdat die alweer jaren over de datum was en tegelijk had ik geen verschijnselen die er op leken dat mijn reactie dodelijk was. Ik toog naar vrouw dokter, die keek nog eens goed en schreef mij ampullen met calcium voor die ik dan moest breken en samen met een beetje water moest opdrinken. Maar die had ik al van een vriendin gekregen en het had niet geholpen. Of ze geen anti-histamine kon voorschrijven. Ze keek me verbaasd aan. Wat wist ik van medicijnen? Nadat ik in het kort bovenstaand verhaal in half Hongaars had uitgelegd en begreep dat dit geen toeval was, schreef ze, zij het met wat tegenzin, het anti zwellings medicijn voor. Sinds die tijd bel ik haar als het medicijn op is en zij schrijft zonder morren de recepten uit. Hoewel steeds de vraag komt of ik er ook nog calcium bij wil hebben. Op mijn “nee” schudden zowel assistente als vrouw dokter hun hoofd. Tja, eigenwijze buitenlanders zijn er altijd.

Een paar weken geleden, het was op de dag af 23 jaar geleden dat ik mijn wederopstanding mocht vieren, ruimde ik wat verdorde bladeren van de snijbiet op. Natuurlijk niet met handschoenen, hoe stom. Ik rukte de verdorde bladeren er tussen uit en schoonde de plant weer mooi op. Toen ik bijna klaar was voelde ik een prikje (dus niet een wesp die zijn angel in één keer met heftig venijn  in mijn huid boorde om zijn gif te spuiten) meer een soort waarschuwingsprikje. Ik zag de griezel weglopen op het blad en begreep meteen dat ik geluk had. Tientallen  zaten er tussen de bladeren. Ik keek naar mijn vinger die opzwol, liep naar huis, trok uit de keukenla een doos anti-histamine, nam twee tabletten tegelijk in voor de zekerheid en liet mijzelf op de bank zakken. Mijn epi-pen had ik bij toeval vorig jaar in de vuilnisbak gegooid, omdat die alweer twaalf jaar over de datum was. Het voelde niet lekker in mijn hoofd. Hans, ondertussen door mij gewaarschuwd, vroeg mij op te staan om meteen naar de dokter af te reizen. Maar zowel mijn hoofd als mijn benen wilden niet meewerken. En met de woorden “het gaat niet goed!” Sleepte Hans mij de auto in. Onderweg voelde het alweer wat beter. Ramen wagenwijd open gaven weer wat lucht en even later vroeg ik of ik even proef mocht lopen om te bezien of mijn benen het weer deden. Die deden het, wankel maar ze liepen gewoon naast Hans over het pad. We keerden de auto en reden terug naar huis.

Vrijdag moest Hans weg en keerde heel kort daarna weer terug. “Ogen dicht en niet stiekum kijken”. Ik voelde iets om mijn middel, het was een piepklein tasje. In dat tasje een epi-pen. Ik kuste Hans en zei: kom, kunnen we gelijk snijbiet uit de moestuin halen. De pen is In de morgen besteld bij de apotheek en in de middag hier in huis. Zonder recept. Dit deel van het verhaal van Runa klopt niet helemaal.  Maar de rest? Geloof het maar. Calcium is leuk voor mensen die niets mankeren. Maar voor de rest zul je je huisarts moeten overreden naar je te luisteren. Je komt er tenslotte niet voor je zweetvoeten. En by the way, de snijbiet staat er nog steeds. En het tasje draag ik om mijn middel, als is het mijn tweede huid. Lief hé, zo’n man!

Míp.

 

Bencéhez. Een fietstocht.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Het is alweer even geleden dat wij de eerste berichten kregen. Op de fiets? Die route? Het antwoord daarop was: Ja en gaan jullie ook mee? Ik schoot in de lach, omdat in de meer dan twaalf jaar dat wij hier wonen ik mijn fiets amper had aangeraakt. Hooguit 70 kilometer had ik in al die jaren bij elkaar gefietst en dan ook nog eens in het eerste jaar.

Maar toch. We haalden de fietsen van zolder en bezagen welk een leed deze hadden ondergaan. Eerst tijdens de verhuizing waar mijn fiets nogal gekreukeld de verhuiswagen uit kwam. En nu, zoveel jaar later bleek mijn gel zadel te zijn ontploft door de hitte, stonden mijn banden leeg, deed mijn kilometerteller het niet meer en zat er nog steeds die rare slag in mijn voorspatbord. Hans’ fiets was er iets beter aan toe. Toch was ook die fiets niet reisvaardig zullen we maar zeggen.

Nu kan een fiets misschien niet reisvaardig zijn, maar is het lichaam dat wel? Op die vraag moest een antwoord komen. Wat kan een mens nog aan. Welnu, door te fietsen kun je veel ontdekken. Eerst korte stukken met weinig klimmmen. Dat ging goed. Nu Hans mij zo bezig zag ging het bij hem toch ook prikkelen. “Ik ga met je mee!” Riep hij. Ik zocht de fietsbroeken waarvan bleek dat die van Hans zijn beste tijd wel gehad had. Ik stond de mijne af, die mij toch te groot was en kocht zelf een nieuwe. Ondertussen waren er nieuwe zadels, de verlichting op orde, de slag uit mijn spatbord en nieuwe batterijen voor de kilometertellers. Zelf ben ik wel van het meten is weten en zonder zo’n teller weet je helemaal niets.

Langzaamaan begonnen we met beklimmingen. Stijl en lang. Omdat we dat nogal vroeg in de morgen deden hadden we weinig last van warmte en verkeer waardoor de spieren op het gemak uitgetest konden worden. Het zag er voorwaar niet slecht uit.

 

 

 

Eerlijk gezegd kregen we er best lol in. Daarna nog een volgende gemene klim om uit te proberen en naar aanleiding daarvan zouden we ons besluit nemen. Onderstussen bestookte Arwen mij met peptalk berichtjes, omdat zij er zeker van was dat het zou kunnen.

We namen een besluit. Ik zou gaan en Hans niet. Het zou teveel voor hem worden. Maar op het moment toen ik Zoli belde om te vertellen dat ik er klaar voor was hoorde ik Hans op de achtergrond. “Ik ga mee!” Besluiten zijn er om op terug te komen en zo geschiedde.

We kregen een e-mail met daarin drie grafieken voor drie dagen, want zo lang zou de fietstocht gaan duren. Ongeveer 175 km naar Gyugy vanaf Pécs. Ik zag Hans slikken. Grafieken zeggen mij niet zoveel. Nu ik er naar terug kijk weet ik wat ze betekenen. In een volgende e-mail werd het hele plan nog duidelijker. We zouden om de 10 kilometer stoppen en er ging een auto mee voor de bagage, fietsonderdelen, eten, drinken en een plaats voor een fiets en een persoon als iemand het even op moest geven als het te zwaar zou worden.

23 augustus was het dan eindelijk zo ver. We reisden af naar Pécs met de fietsen achterin. In de tuin van Vali en Zoli was het een komen en gaan van mensen die zich klaarmaakten voor de grote rit. Het was een warm weerzien met mensen van de pelgrimstocht en met een paar nieuwe geichten. Althans voor ons dan. Maar niet voordat een ballon met al onze namen zou worden losgelaten voor de naamdag van Bence. Want dat was tenslotte het doel. Fietsen naar de gedenkplaats van Bence. De eerste rit bracht ons naar Egyházaskozár, een ritje van slechts 64 kilometer. Ja, in Nederland zou dat echt niet heel veel zijn maar hier…….. We reden met z’n veertienen door de stad tussen het drukke verkeer door waarbij Zoli het bijkans aan de stok kreeg met een automobilist die vond dat we meer in de kant moesten gaan rijden. Wie de Hongaarse wegen kent weet dat dit tot de volkomen onmogelijkheden behoort. Dus we bleven rijden waar we reden. Niet veel later reden we op rustigere wegen met weinig verkeer. Slechte wegen, dat wel. Toen kwam de eerste beklimming. Als ware ik een rijdende douchekop zwoegde ik mij de weg omhoog. Maar niet ik alleen, al moet ik zeggen dat het sommige anderen iets makkelijker afging. Ook Hans zat mee in de groep en ik voelde mijn trots voor hem stijgen. Natuurlijk, hij had het niet makkelijk maar hij deed het wel. Gaande de dag werden de klimmen feller en gemener en gaande de dag was het goed te merken dat een lichaam best zo sterk als een beer kan zijn. Onderweg maakten we stops bij kroegen en winkels om zo ons vochtgehalte op pijl te houden en voedsel voor de energie. Deze dagen zou ik meer suiker en snoep eten dan ik normaal gesproken in een heel jaar nog niet bij elkaar zou eten. Maar we hadden het nodig, die energie. Toen we aankwamen in Egyházaskozár brandde de zon nog steeds fel maar de kamers waren luchtig en kompleet. We zouden slapen als rozen. Vooral omdat de wijn er flink inhakte tijdens het eten en daarna.  Maar de onderlinge pret was er niet minder om. Hoewel Hans’ spieren die nacht wel opspeelden. Kramp. Maar een hete douche bood uitkomst.

Dat bier kan sissen weet ik nu zeker.

 


Pitfit  weer in de startblokken.

Op dag twee reden we via Dombovár naar Igal. Een rit van 54 kilometer en gezien de grafiek zou het redelijk goed te doen zijn. Zoals ik al schreef: ik heb geen verstand van grafieken en dat bleek ook wel. Toch zaten er wel wat stukken vals plat en daar is mijn lichaam redelijk op gebouwd. Na langdurig overtuigen lukte het Hans de eerste paar kilometers in de auto te krijgen. Toch kennen maar weinig mensen zijn karakter. Afhaken komt niet in zijn woordenlijst voor. Bij de eerste stop in Dombovár stapte hij uit, pakte zijn fiets en maakte zich klaar voor de rest van de dag. Daar hou ik wel van, een beetje doorbijten moet kunnen. Om mezelf vooral te sterken hing de plaats Igal in mijn hoofd. Want daar was een cadeautje. Een heus kuuroord, dat ook nog eens recht tegenover onze slaapgeledenheid bleek te liggen. Maar dat was nog wel een paar uur van ons verwijderd. Eerst maar eens op de pedalen. Het was heet en het was zweten en de hellingen waren straf. De afdalingen gelukkig ook. En sommigen wisten het al. Ze riepen me toe dat er een cadeautje aankwam. Zoli hield mij op de hoogte tijdens een eindeloze klim. “Zie je die toren daar” en wees naar iets dat nog ver was. Ja, die zag ik. Tot daar loopt de klim, daarna gaan we weer dalen. Jaren geleden, het was tijdens mijn fietsvakanties in Portugal, had ik mezelf al aangeleerd om tijdens een klim niet omhoog kijken maar alleen naar het asfalt. Ik geef toe je ziet weinig van de omgeving maar het helpt wel als je niet weet hoe ver het nog is. De afdalingen daarentegen gaven ook wel wat verschil te zien. Daar waar Hans met moeite de klim haalde zo hard vloog hij de afdaling af en haalde velen met gemak weer in. Het bord van Igal kwam eindelijk in zicht. Ik trapte met mijn laatste kracht nog flink de pedalen rond en zag het water van het kuuroord. Als zoutpilaren schoten we ons zwemgoed in en lieten ons lichaam zalven door het goddelijke warme water. Wat een heerlijkheid. Met Dalma, die een fantastische zwemster bleek, zwom ik nog een baan vrije slag die we tegelijk aantikten. Grappig dat we dit niet van elkaar wisten en nu wel. Maar de rek was er na die ene baan wel uit. Tijd om te relaxen. Na het avondeten zaten we met de groep op het terras. De sfeer was heerlijk. De verhalen vlogen alle kanten op. Maar om half negen was het gebeurd. Ik moest naar bed. Bijna in slaap voelde ik iets kriebelen. Eerst in mijn haar, toen mijn gezicht en daarna een knisperend geluid op mijn kussen. Licht aan. Daar zag ik wat. Het was groen en niet klein. Het was een grashopper die mij uit mijn slaap hield. Nu was ik niet bang maar ik vond het wel irritant. Kleren aan en naar het terras. Met mijn handen een stuk uit elkaar vertelde ik dat er wel zo’n groot groen insect in de slaapkamer zat. Hans mee en die staat ook niet bekend om zijn geduld. Hij zag het insect en daarna niet meer. Volgens hem was het weg, volgens mij niet. Vali wierp zich op als beste insectenvanger ever. Samen zochten we, vonden hem, joegen hem in het gordijn en Vali zorgde voor de laatste klap, zodat de grashopper weer in de natuur belande waar hij dan ook hoort. Eindelijk slapen.

Dag 3. Onze laatste trip die zal leiden naar Gyugy, de herdenkingsplaats van Bence. Een tocht van ruim 58 kilometer. Zoli toonde mij nog eens de grafiek en wees mij op de valkuilen van deze dag. Ondertussen begon ik al meer van grafieken te begrijpen en bij het zien werd mij de adem bijkans ontnomen.

Let vooral op het begin, dan dat kleine piekje, dan die bulten erna.

Als je ergens aan begint maak je het af ook. Zo is altijd mijn credo. Maar allemachtig wat een helse tocht was deze dag. Vreemd genoeg vergeet ik ook steeds de afdalingen en onthou ik alleen de klimmen. Dalma, die soms alleen soms met Vali de rijen sloot, dus in veel gevallen achter mij, reed naast me. Ik riep dat ze gewoon door moest fietsen op haar eigen tempo. Maar nee, ze wilde graag de laatste blijven. Of alleen of samen met Vali. Vreemd genoeg is dat toch heel geruststellend. Dat er iemand achter je zit die veel sterker is. Ik kan het niet goed uitleggen maar het voelde in ieder geval goed. De ene verschrikkelijke klim na de andere diende zich aan. Soms stopte ik om even mijn benen bij te laten komen en ondertussen ook mijn kont want die werd ook wat gevoeliger van al de klimmen, dalen en zweten natuurlijk. Daarna fietste ik weer verder. En als het wat makkelijker ging vergat ik al die verdomde klimmen weer. Fijn zo’n geheugen. Het was warm maar gelukkig ook bewolkt, zodat de zon voor even niet de huid zou verschroeien. We maakten mooie lange stoppen tussendoor, waardoor iedereen weer op adem kon komen. Bij de laatste stop zouden we lángos eten, maar helaas was die tent gesloten. Of ik dat heel erg vond weet ik eigenlijk niet. Lángos, je kunt het uren later nog eten. We vervolgden onze trip. Dacht ik dat we alles gehad hadden bleek toch dat ik de grafiek niet goed in mij opgenomen had. Heerlijk bospad zonder verkeer. Soms wel een slecht pad of zelfs wel een heel slecht pad. Toen die beklimming. Zanderig en stenen hels steil omhoog. Laagste versnelling, zon die doorbreekt en meteen alles verschroeid. Zweet in stralen die donkere kringen op de weg maken. Niet omhoog kijken. Dan zegt mijn lichaam dat het klaar is. Maar die had mijn karakter buiten de waard gerekend. Boven mij liep iedereen al (op de kleine dondersteen Zsofi na en als ik het mag geloven is Zoli toch ook weer opgestapt). Ik duwde mijn fiets, voelde nu niet mijn bovenbenen maar enkels en kuiten. Stoppen, even over de fiets hangen en weer door.

Nog even Míp! Riep Vali. Het is niet ver meer! Pfffffff.

En zo kwamen er nog een paar van die kleine venijnige en o zo gemene klimmen. De weg naar Bence was een kuitenbijter die het geheugen niet snel zal verlaten. Maar eerlijk is eerlijk, nooit maar dan ook nooit had ik deze ervaring willen missen. En Hans? Apetrots ben ik op hem, die eigenwijze donderstraal.

En zo gebeurde. Alle fietsen op rij en geen enkeling uitgezonderd.

Bencéhez. Een fietstocht.

Míp.

Held.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Het was vorig jaar in september toen we ineens een hond zagen in de tuin van het leegstaande huis aan de overkant. Het huis zelf is onbewoond maar in de schuren heeft de eigenaar zijn machines staan. Landbouwmachines en een tractor. Even dachten wij dat hij de hond er achter had gelaten en zodoende kon dienen als waakhond. Een grote Duitse Herder, daar durft niemand langs te komen dachten we gelijk. Maar niet veel later bleek niet hij maar iemand anders de eigenaar van de hond te zijn. Onze burgemeester. We zagen haar dagelijks. Ze gaf de hond, die de naam Nero droeg, vers water en vers eten. Na enkele dagen ging Nero bekend gedrag vertonen. Gedrag van een hond die uit de auto gezet is (we komen ze hier met enige regelmaat tegen, vandaar de kennis van dit gedrag en niet omdat ik zoveel van honden weet). Hij stond voor het grote hek te wachten en dat wachten deed hij uren achter elkaar. Daarna ging hij blaffen en dat geblaf ging in de nacht over op huilen. Het geluid ging door merg en been en sneed in onze ziel, maar hield ons tegelijk ook uit de slaap. Na enige tijd werd het een klacht, omdat ook andere honden reageerden op het geblaf en gejank. We moesten iets doen voor deze eenzame blaffer. Met andere woorden: hij verdiende een beter leven dan alleen maar wachten en wachten in eenzaamheid. Het woord dierenmishandeling viel hier huis regelmatig.

Hans sprak met de burgemeester. Nou ja, het was vooral de vraag hoe lang dit nog ging duren. Nu had Hans al contact gehad met vrienden in Amsterdam die een grote voorliefde hebben voor Duitse Herders. Een jaar daarvoor hadden zij een hond van ditzelfde ras op jonge leeftijd verloren. Hun hart weende nog altijd na. Na enige beraad openden zij datzelfde hart en vertelden dat als het moest zij Nero zouden komen halen. Na de vraag haalde de burgemeester haar schouders op en zei: hát …ik weet niet hoe lang het gaat duren maar Nero mag niet weg. Haar kleindochter, een vrolijke peuter, was helemaal wild van Nero en die moest ze kunnen bezoeken. Op de vraag waarom Nero dan niet gewoon lekker thuis kon wonen was het antwoord iets langer maar ik schrijf het korter. Nieuwe vriend, heeft twee honden van een Italiaans ras die niet kunnen samenleven met Nero. En juist nu het vrouwtje zo graag wilde samenwonen met de eigenaar van de italiaanse honden. Dus woont Nero nu hier tot er een echte oplossing gevonden is. Maar, vertelde ze nog, Nero is niet ongelukkig. Hij is altijd blij als ik er ben. Dat was het antwoord, maar niet de oplossing.

De winter viel in. Nero’s eenzaamheid nam ernstige vormen aan. Het ijsberen langs het hek duurde langer samen met het blaffen en huilen. Inderdaad, de burgemeester had gelijk, de hond was altijd blij als hij haar zag. Maar, en excuuus voor mijn grofheid, wat wil je godver de godver als zo’n hond 23 uur en vijftig minuten alleen zit? Natuurlijk is hij dan blij! Want hij denkt elke dag weer dat hij gedumpt is! De klachten werden erger en als je in het dorp een klacht hebt dan ga je naar de…..inderdaad de burgemeester. Sommige avonden ging Hans, of anders ik, naar de overkant om de hond te troosten. Een aai over zijn kop, een goed gesprek en dan een lik over je hand van die enorme tong. Nero was gewoon een grote schat van een hond. Hans maakte nachtopnames van zijn gehuil en stuurde die naar de burgemeester. Ze reageerde niet. Ik schreef haar een bericht met de vraag of er een gesprek mogelijk was. Geen antwoord. Nogmaals dan maar die opnames maar dan van andere nachten. Geen reactie. Ondertussen kwam het stoom uit onze oren. Iemand stelde voor om de hond in de nacht in de garage op te sluiten en in de morgen weer los te laten. Waarschijnlijk geen goed plan want de burgemeester ging er niet op in. Nu lijkt het alsof wij de enigen waren maar niets is minder waar. Alleen de doven in dit dorp hadden goede nachtrust.

De dagen gingen weer wat lengen maar Nero werd er niet gelukkiger van. Toen, op een dag in april, was er toch weer een gesprek samen met haar nieuwe vriend die Hans meteen toeschreeuwde dat hij op moest donderen naar Nederland. Geen aardige reactie maar ook zeker geen oplossing van het probleem, omdat de andere dorpsbewoners niet zomaar naar Nederland konden vertrekken en zij dus gewoon last bleven houden van de hond. Schijt aan alles dus. Maar rustig blijven en in gesprek blijven, dat was mijn motto voor dat moment.

Eindelijk in mei kwam het verlossende bericht. “Als de Hollanders Nero willen hebben kunnen ze hem op komen halen”.

Ondertussen moesten zaken als injecties, paspoorten en afstandsverklaring geregeld voordat Anton en Laurien zouden vertrekken met Nero. Eind mei arriveerden ze. Ze bleven drie dagen om Nero te observeren maar ook om aan hem te wennen. Ze kamden hem. Speelden met hem. Liepen aan de riem. En Nero was de meest voorbeeldige hond alller honden. Op 30 mei is hij vertrokken. Naar Amsterdam. Hartje centrum. Daar is zijn nieuwe leven. Na wat wennen aan al die miljoenen prikkels per dag (honden, katten, fietsen, auto’s, trams, geurtjes, honderden geurtjes en heel veel mensen) kunnen we zeggen dat de missie geslaagd is. Nero heet nu geen Nero meer maar Iroas wat Grieks is voor held. Held omdat hij in negen maanden eenzaamheid nog altijd lief is gebleven.

 

Nero tijdens zijn eenzame verblijf met alleen een bal als vriend.

 

Nero tijdens de gewenningsperiode met zijn nieuwe baasjes. En het afscheid van zijn oude bazin.

 

Nero onderweg naar zijn nieuwe bestemming waar hij twee dagen later aan zou komen.

Held in Amsterdam. Samen met de bazin op de bank met naast hem zijn vriend, de bal. Held in Amsterdam, letterlijk uitgevloerd na een heerlijk pittige wandelen. Hier ook nog steeds met zijn vriend, de bal.

Míp