Doktersroman in winters landschap.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Er stond een man bij de bushalte. Hij droeg een pak. Een winters camouflage pak. Dat pak camoufleerde hem zo goed, dat ik me voor zou kunnen stellen dat de buschauffeur hem over het hoofd zou zien. Het was toen wij in de vroege ochtend op weg waren naar Pécs.

Alle wrakken van de sneeuwstorm zijn geruimd. Niets is meer terug te vinden van de ravage die het was. Maar toch, nieuwe wrakken dienen zich steeds weer aan door ongelukkige ongelukken. Het leermoment, daar waar onoverzichtelijke bochten zijn, doorgetrokken witte strepen versterkt met borden waarop staat dat inhalen heel onhandig is, moet misschien toch nog een beetje indalen. Zou het aan de winter liggen die maar niet wil ophouden?

We kwamen op tijd op de plaats van bestemming. Na enige tijd zoeken vonden we een parkeerplaats. Zo’n plaats waar je munten in de meter moet gooien. Maar hoeveel? We begonnen met een uur, omdat wachten al in de planning zat. Jas dicht, muts tot over de oren, handschoenen aan en kop tegen de wind in. De paraplu bleef in de auto die zou alleen maar aan flarden waaien. De regen voelde hard en koud aan. We vonden de deur waar we moesten zijn. Ik vond het een vreemde entree zo in de kelder waar grote verwarmingsbuizen trilden om het gebouw op warmte te houden. Maar de kelder bleek vol wachtruimtes waar mensen op stoelen zaten en kan in dat opzicht natuurlijk geen kelder worden genoemd. We reisden per lift naar de derde verdieping en belanden in een vreemde gang waar ook stoelen en banken stonden. Nou ja, meer een ouderwets straatmeubilair dat hard en ongemakkelijk zat. De bank stond naast twee deuren met gebobbeld glas waar je licht en contouren doorheen kon zien. Die deuren gingen naar buiten open. Daar kwamen we achter toen we plaats namen op de bank en de deuren open zwaaiden. Nu ben ik gelukkig niet al te groot en al te zwaar maar ongemakkelijk was het wel zo weggedrukt achter dat glas. Hans, met zijn lange benen, kon nog net op tijd opschuiven. Er zaten twee mannen op stoelen, die waren voor ons. Dat viel mee. Van wachtkamers weten wij ondertussen best veel. Vooral dat ze heel vol kunnen zitten. Er hing een A4 aan de deur met dagen, uren en namen. We keken naar donderdag, want dat was het tenslotte. Dr.-prof-dr. Dólcsi Neurológus stond er. Het stemde ons tevreden dat er iemand met heel veel verstand achter deze glazen deuren schuil ging.

De tijd verstreek zonder dat er ook maar enige beweging achter de glazen deuren was. De wachtkamer stroomde voller en voller. Wij zijn Hollands en ongeduldig, vooral als je niet weet waarop je wacht. Het verlossende woord kwam toen de glazen deuren open zwaaiden en de secretaresse van alle wachtenden papieren in ontvangst nam. Nu was ik net buiten om de parkeertijd met twee uur te verlengen en Hans had mijn plaats ingenomen op de bank. De afdrukken van zijn neus en lippen moeten op de glazen deur zijn achtergebleven. Maar hij kon zich bevrijden en zijn vraag stellen. Het antwoord was kort, krachtig en helder. De arts was weggeroepen voor een spoedgeval en in dit geval moest zij het hele antwoord schuldig blijven. Ze wist niet wanneer hij terug zou zijn.

Hoewel de arts nog niet voorbij was gekomen werd Hans na anderhalf uur geroepen. We kregen een plaats aangewezen in een andere kamer, omdat in de spreekkamer de twee mannen voor ons zaten. Het was een ruime lichte kamer met lange witte gordijnen die opwaaiden bij het tochtgat in de deur. Twee stoelen stonden midden in de kamer. We mochten er plaats op nemen totdat de arts zich bij ons zou melden.

De arts, krullend grijs/zwart haar met krachtige kaak en vriendelijke ogen, betrad na enige tijd de tochtige kamer. Hij stelde Hans vragen die van belang waren, omdat de antwoorden precies hoorden bij het beeld dat de arts had. Hij had namelijk in de tussentijd de scan van Hans’ rug bekeken op de computer. Toen zijn uitleg kwam begrepen wij de arts heel goed. Het was een helder antwoord op de vraag die ons de laatste maanden nogal bezig heeft gehouden. Drie versleten delen van de ruggenwervel, ook wel discus genoemd (nee, niet om mee te werpen) en een dicht geslipt gat waar de zenuwen doorheen lopen. “Je zult er mee moeten leren leven of ik kan het opereren, maar dat is geen garantie dat de pijn over gaat”. Met deze laatste zin in het hoofd reden we vanuit Pécs, langs de bushalte waar de man in winters camouflage pak gelukkig niet meer stond, terug naar huis.

Vrijdag was een dag om snel te vergeten. Grijs, koud, nat en een hels koude storm trok over ons heen. Hoewel ons bezoek van die avond bijzonder en hoopvol was. Maar daarover later meer.

Zaterdagmorgen kon ik mijn ogen niet geloven. De zon! Ik zag de zon! Ik liet me snel uit bed glijden. Hans gaf me koffie en stak direct van wal. Zullen we daslook gaan plukken? Ik was meteen enthousiast, schoot in mijn kleren en met een vers gesmeerde boterham en grote plastic tassen vertrokken we naar het bos.

Er stond een zee, nee een oceaan aan sneeuwklokjes tussen de hoge bomen. “Hier moeten we zijn, want waar sneeuwklokjes groeien groeit ook daslook”. Ik weet niet waar ik deze wijsheid vandaan haalde, maar ik vond het een mooie redenering. We tastten het bos af met onze ogen gericht op de aarde. Ik gaf een schreeuw van geluk en samen plukten de geurige zacht groene blaadjes. Na lang zoeken hadden we 1 tas voor de helft vol. Mooie vangst, dat vonden we zelf ook wel. Eenmaal in de auto wilde Hans graag een route tussen de akkers door die langs het bos leidde. Ik vroeg hem te stoppen bij een laantje. Met het raam open kwam de geur ons tegemoet. Een enorm veld vol sappige daslook keek ons toe. Met een kwartiertje hadden we twee tassen vol.

Veel dingen van geluk vielen samen. De mooie daslook, de heerlijke olijolie en de schapenkaas uit Kroatië die we van P&K cadeau hadden gekregen vormden de basis voor een overheerlijke kraakverse pesto. En gisteren, toen P&E de sneeuw trotseerden genoten we met elkaar van deze heerlijkheid. Helaas was dit niet de laatste winterse dag. Ondertussen valt de sneeuw weer in grote hoeveelheden uit de lucht en de thermometer geeft slechts -5,4 graden aan.

Ik begin ondertussen een hekel aan dat gesnor van de kandaló te krijgen. En ook aan de geur van verbrand hout. En ook aan stapels hout naast die kandaló. Aan winterjassen, kaplaarzen en ijsmutsen. Dikke wanten en lopende neuzen. Het is dat er nu een roodborstjes paar op het terras zit die ik door het raam kan zien en dat onze kippen nog steeds gezellig zijn en nog elke dag verse eieren leggen. Anders zou ik er echt chagrijnig van worden.

Mip.

4 thoughts on “Doktersroman in winters landschap.

  1. Wat kun je toch mooi schrijven Mip. Leuk om te lezen en als je wel eens daar bent geweest beleef je het gewoon mee. Gr en nog effe dan ist gedaan met het winterweer. Tavassal en vervolgens Nyar. komt er aan.

  2. Het is altijd een genot om je verhalen te lezen. Volgende week gaan wij weer naar ons hongaars boshuisje en ik kan niet wachten. Hopelijk is de lente aangebroken tegen die tijd.

  3. Leuk van die daslook! Net een dagje getroffen dat je de daslook ook kon vinden! Ik zou jullie gunnen dat je niet over die ziekenhuizen zou kunnen schrijven, of alleen als toevallige voorbijganger……maar het levert wel weer een mooi en beeldend verhaal op!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s