Toen dreigde er ook al van alles in Tunesië

Dit keer weer een Hansio-verhaal.

De actuele situatie in Tunesië roept de volgende herinnering op.

April 1991 en we gaan met een kleine groep weer eens de Sahara opzoeken, of zoals we het zelf zagen, in de grote zandbak spelen. Omdat Franse gids, ooit lid van de geheime dienst die de Algerijnse zelfstandigheid wilde voorkomen, een goede prijs had weten te regelen om dit keer vanuit Sète over te varen naar Tunesië en van daaruit door te rijden naar Algerije. Een klein beetje een omweg, maar gezien het prijsverschil deze detour meer dan waard. Met een reis vanuit Nederland naar het zuiden van Frankrijk in één ruk achter de rug verheugden wij ons op een nachtje slapen aan boord van de ferry, maar het lot bepaalde anders. Niks hut, want die waren al vergeven en dus proberen te knorren op een bankje hier en een bankje daar, maar omdat het windkracht 8 was op de Middellandse zee en de ferry kennelijk de vorige reis al was gezegend door de toen al zeezieke passagiers werd het een ramptocht. Toiletten waar net zoveel in als naast de pot was geofferd aan Neptunus, de vloer van de restauratie die het zelfde offer ten deel was gevallen…dat alles maakte dat er van slapen weinig terecht kwam. Vroeg in de ochtend komen we aan en rijden met elkaar naar het zuiden..geradbraakt door de slechte nacht zoeven we richting Algerijnse grens…een kleine 400 kilometer. Weinig oog voor de omgeving en eigenlijk maar met één doel…die zandbak. Mijn medereizigster hangt voorover in de vierpuntsgordel en slaapt het grootste deel van die rit. Aan het eind van de middag komen we aan de grens bij de plaats Haouza en beginnen de formaliteiten…controle en nog eens controle. We kopen fruit voor de weken die zullen volgen en verlaten om een uur of vijf in de middag Tunesië en rijden het stuk niemandsland binnen om vervolgens bij de slagboom van de Algerijn weer te kunnen beginnen met het invullen van de documenten alsof het niet genoeg was dat we precies die zelfde kaarten hadden ingevuld in Den Haag bij de visumaanvraag.

Domme jongen toch

Bij de vraag ‘beroep’ vul ik naar eer en geweten in dat ik fotograaf/ journalist ben, temeer daar ik uit ervaring weet dat die internationale perskaart ook als bescherming kan dienen….toen nog wel in ieder geval. Het duurt lang voordat er beweging komt in ons mini-konvooi van zes auto’s en twee motoren. Een voor een worden ze doorgelaten, ook mijn medereizigster en telkens gaat die slagboom weer dicht. Dan na bijna anderhalf uur komt een figuur naar de slagboom gelopen, een figuur die pogingen doet op Maigret zelf te lijken…pijp in de mond en een lange winterjas tot over knieën en in zijn hand mijn paspoort. Ik mag er niet in…een weigering zonder opgave van redenen en na lang aandringen laat hij slechts los dat het komt omdat ik journalist ben. Ik kan lullen als brugman, maar zijn non…non… is meer dan duidelijk en opeens komt er de behoefte om hem bij zijn stropdas te pakken en die heel voorzichtig aan strakker te te trekken wanneer niet net Christian, onze gids, mij duidelijk maakt dat dit de manier zou zijn om hier voor heel lang in het gevang te belanden. Mijn reisgenote is wel aan de andere kant…hoe moet dit dan? We overleggen met elkaar dat er een plekje wordt vrijgemaakt in een van de auto’s en dat ik dan maar…..

Net of we aan de bar staan

Met de slagboom tussen ons in worden de plannen uiteen gezet. Ik krijg een gedetailleerde kaart, handen vol fruit en veel suikerhoudend snoepgoed…energie, Hans…dat heb je nodig. Christian legt me uit dat ik ongeveer 250 kilometer terug moet rijden en dat ik daar een piste naar het westen zal vinden, het kan niet missen, er staan drie lege benzinevaten op elkaar gestapeld en dan moet ik die piste volgen voor ongeveer 150 kilometer. De is piste is ‘balisé’ en dat wil zeggen dat er om de ongeveer vijf of tien kilometer wel een paar gestapelde autobanden of een leeg vat zullen staan dat aangeeft dat ik op het juiste pad zit. Na de nodige bemoedigingen en vooral het ‘blijf wakker joh’ kan ik proberen om terug te gaan naar de andere kant van het niemandsland. Proberen? Ja, natuurlijk, want mijn visum voor Tunesië is nu verlopen, holy shit. Dezelfde ambtenaar van een paar uur eerder begint met het vragen of waar ik dat fruit vandaan heb en dat terwijl hij weet dat het nergens anders vandaan kan zijn gekomen dan vanuit zijn eigen land. Bekijkt een soort verrast de appels en sinaasappels en doet stoer en onaantastbaar. Maar na een paar minuten is duidelijk dat hij het spel meespeelt. Kijkt naar de stempels in mijn paspoort alsof hij die niet eerder zag en maakt vervolgens duidelijk dat mijn visum verlopen is. Dan, met een bijna onmerkbaar knipoogje pakt hij de schoenendoos met daarin het met stempelinkt doordrenkte poetskatoen. Pakt een stempel, doopt dat in het natte poetskatoen en drukt dat over een die andere afdrukken en draait een klein beetje met het stempel zodat het bijna onleesbaar wordt. Vervolgens schrapt hij met zijn Bic allerlei binnenkomst- en vertrekstempels door. Dan vraag ik hem of hij weet waar ik die afslag kan vinden waar ik naar het westen moet. Afslag? Naar het westen? Hij weet van niks en wenst me een bon route. Shit, het is al bijna donker en nu nog beginnen met de detour……de hele vrijdag gereden vanuit Nederland, nauwelijks kunnen slapen op de ferry, de hele zaterdag naar de ratsmodee en nu, na twee dagen zonder slaap ook nog eens….pffff. De afspraak is dat zij, vanaf het moment dat zij de grens passeerden, heel rustig via het begin van de Trans-Sahararoute naar beneden zullen rijden en dat we elkaar dan, als alles goed gaat, in Hassi Messaoud bij het tankstation zullen ontmoeten.

Paspoort

En dit allemaal vanwege uit- in- en uitreizen….

 

Ninja’s met machinegeweren

Het is intussen donker geworden en dit gaat dus de derde nacht op rij worden dat ik aan de bak moet. De weg terug, richting Tunis, loopt schuin omhoog naar het oosten en over die piste moet ik straks weer pal west en met die kennis op zak trap ik de plank diep in. Groot licht aan en ook nog eens de vier stuks grote Hella schijnwerpers die op het dak staan zullen mijn pad verlichten. Ik passeer dorpjes, nederzettingen en mis geiten, kamelen en schapen soms op een haar. Soms moet ik voor een zeldzame tegenligger dimmen en het is precies dán dat ik op het allerlaatste moment paar witte ninja’s de weg zie versperren. Grote Steyr machinegeweren houden ze op mij gericht en bijna kak ik in m’n broek van de schrik. Twee houden me onder schot wanneer een derde naar de bus komt lopen. Hij kijkt in de auto en vraagt of ik de schuifdeur open wil doen. Eén blik is voldoende en hij wuift me weer op weg, zonder verder een woord te zeggen. Wanneer ik optrek zijn die twee andere verdwenen…in het niets en even slaat de twijfel toe of ik het wel goed had gezien. Een uur of drie later doemen in het felle licht van de schijnwerpers de drie vaten op, maar niet alleen die vaten staan er, maar ook een uit zandzakken opgebouwde vesting. Raar, want zeker weten dat ik dit een uur of tien eerder beslist niet gezien heb. Wederom wordt ik tegengehouden door een kakikleurig geklede ninja. Hij blijkt op de hoogte te zijn gebracht door zijn mede-ninja’s en ja, dit is de piste richting Algerije.

Piste balisée

Omdat ik zo’n eind Noord Oost heb gereden moet ik nu dus die 150 kilometer pal west gaan rijden en geloof me, dat is geen lolletje wanneer je in je uppie in het pikkedonker slechts vage sporen ziet en telkens blij verrast bent wanneer je de markeringen ontdekt die aantonen dat je op het goede spoor zit. Tegen het ochtendgloren bereik ik een nomadendorp waar zich ook het grenskantoortje bevindt. Ik stap uit de bus en gooi gewoonte getrouw de deur dicht met de deurgreep omhoog zodat die zeker in het slot valt….alleen zitten de sleutels nog in het slot. Godverdegodver nog an toe…en ga op zoek op de vuilnishoop die naast het dorp ligt….een stuk ijzerdraad moet uitkomst bieden maar hoe ik ook zoek, niets van dat alles. Ja, hier zijn ze al goed groen bezig en is dus letterlijk alles al hergebruikt. Dan maar eerst naar de grenspolitie. De man schrikt zich tien toeren in de rondte wanneer ik de deur open en hem uit zijn slaap haal. Hij komt langzaam omhoog uit de oude fauteuilen ja, hij wil me wel helpen aan een stempeltje. Terug bij de auto is er inmiddels het nodige volk dat nieuwsgierig toekijkt hoe ik de antenne van de bus afbreek, de deur iets open wrik en met die krom gebogen antenne van het slot haal. Inmiddels is volledig licht geworden en zie ik dat de grens wordt gevormd door een rivierbedding. Die staat weliswaar bijna leeg, maar op een paar plekken zie ik nog wel verdacht veel water staan. Merci, Christian…dat ben je vergeten te vertellen, verdomme. Ik schakel de 4WD in en laat de bus langzaam in de bedding zakken en overzie ik eens goed de situatie. Het is ongeveer een goede driehonderd meter die ik moet zien te kruisen en op dat moment stroomt ook de bedding vol met volk dat wel eens wil zien hoe die rare, lange witte man met dat busje dit wel wil gaan doen. Ze schreeuwen het uit….’hij gaat de rivier passeren….hij gaat…..hij gaat…’ Onder de nodige aanmoedigingen trap ik het gas diep in en maal de bagger huizenhoog en bereik ik met een maximale hartslag de overkant. Meld me bij de Algerijnse grenspost en vul het document d’ entree maar weer eens een keertje in en als beroep…’electricien’….., want ik wil niet nog keer het risico lopen om ook hier niet binnen te komen. Ik geef de ambtenaar tijdens zijn controle wat kleine cadeautjes zoals gebruikte sokken en een paar blikjes bier en weiger nog meer af te staan, ook al probeert de man mijn toch goed verstopte fles whiskey te confiskeren. Na wat prietpraat schudden we handen en vervolg ik mijn weg naar de transsaharienne om daar vervolgens weer een bijna 500 kilometer zuidelijk te rijden tot de plaats van afspraak. Dit waren dus twee nachten zonder slaap en ik begin te vrezen voor een totale ineenstorting, want als ex kankerpatiënt is je energie toch altijd nog een zwak punt.

De Transsaharienne

Ik rijd als een zombie met het gas diep ingetrapt maar ben wel scherp op mogelijk gevaar. Het is heel erg vroeg in de ochtend en er vrijwel geen verkeer en dan doemt er een voor mij rijdende pick-up op. Achterop staan drie mannen waarvan de hoofddoeken lustig fladderen in de rijwind. Zij houden zich vast aan het rekje dat zich pal achter de cabine bevindt. Precies op het moment wanneer ik de wagen ga inhalen zie ik dat er links én rechts een hap asfalt aan de weg ontbreekt. Ik denk dat ik aan mijn linkerkant nog met een centimeter of twee, drie van de banden het asfalt raak en zo het diepe gat omzeil, maar de bestuurder van de pick-up kan geen kant meer op en vliegt van de weg het zand in en in mijn spiegel zie ik slechts de wapperende theedoeken wanneer de auto met grote bokkensprongen in het woestijnzand belandt. Ik heb slechts één doel….op naar het meeting point, want ik heb niet voor niets zoveel geregeld om deze reis nu eens écht iets van de Sahara te gaan zien en fotograferen. Buiten dat…het heeft geld genoeg gekost om dit alles voor elkaar te gaan krijgen.

Asfalt? Asfalt!

Het is nog maar een kilometer of honderd wanneer er een rij wachtende auto’s voor mij stilstaat. In een flits zie ik dat er gewerkt wordt aan de weg. Een paar vrachtwagens met grind, een tankwagentje en iets dat op een kleine wals lijkt. Aan mijn kant zie ik een man met een stopbord en omdat hij dat niét omhoog houdt besluit ik om gewoon die hele rij voorbij te stuiven. Het lijkt wel een slapstick hoe iedereen opzij vliegt en het lijkt of dit allemaal niet echt plaatsvindt…..want de vers gesproeide plak ( want zo heet dat vloeibare teer, wat ze over de onderlaag sproeien om daarop het grind te laten te laten plakken…) spettert aan alle kanten rond de bus. Later zal blijken dat de hele onderkant en de velgen een voor eens en altijd een bijna niet te verwijderen anti roest behandeling hebben gekregen.

Tankstation…het meeting point

Tegen het middaguur bereik ik Hassi Messaoud en stop bij het tankstation. Hebben ze hier mijn ‘troupe’ misschien gezien? Nee, niets gezien. Maar er is nóg een tankstation, aan de andere kant van de stad. Met tien minuten heb ik ook daar nul op mijn rekwest…niemand gezien. Ik besluit om maar terug te keren naar het eerste station om daar in de schaduw de plannen te overzien. Wanneer ik uitstap besluiten mijn benen anders en zijg ik volledig in elkaar. In de schaduw zittend kom ik tot de conclusie dat zij al voorbij moeten zijn. Ik kan niet meer helder denken en begrijp niet dat ze niét de moeite hebben genomen om op mij te wachten. Alle gevoel voor tijd is me vreemd geworden en dus heb ik ook geen idee hoelang het duurde tot er, met een hoop getoeter van claxons en gebrul van de motorfietsen, de hele ‘troupe’ om mij heen staat. Ze zijn dus niet zonder mij verder gereden…pfff. Sterker nog, ik ben hen voorbij gereden. Ze hebben zo blijkt, om de tijd wat te rekken, een kilometer of dertig terug langs de kant van de weg iets te eten en te drinken genomen bij een restaurantje. Om mij dat duidelijk te maken hadden ze de auto’s en motoren haaks naast de weg bij het restaurant gezet en met vlaggen getooid zodat ik wist dat ze daar zaten. Van z’n Jan zal z’n hele leven heb ik daar helemaal niets van gezien of, op z’n minst, niets van waargenomen. In ons gezelschap reist ook een arts mee. Ook hij is zwaar zandbakverslaafd en hij concludeert dat ik fors ben uitgedroogd en op het randje van instorten. Poedertjes en pillen en vervolgens plaatsen ze mij op de passagiersstoel van mijn eigen auto. Ik word in de gordels gehangen en zo snel als mogelijk verlaten wij de stinkstad waar alleen maar dingen worden gedaan die samenhangen met olie. Dat laatste daar heb ik totaal geen weet van omdat vanaf dat moment tot de volgende ochtend slechts bestaat uit flarden.

Uitgedroogd

Ik werd liefdevol opgevangen, letterlijk…..want ik donderde om na bijna 72 uur…

 

Les Barbú

Waarom dit lange en uitgebreide verhaal?  Pas véél later zal duidelijk worden dat er precies die afgelopen nacht in Tunesië een enorme razzia heeft plaatsgevonden waarbij extreme duizenden extreme moslims in zowel Tunesië als in Algerije zijn opgepakt. Het verklaard de zware en strenge controles..de gerichte machinegeweren en de gespannen sfeer aan de grens. Het verklaard waarom ik toen Algerije niet in kon komen. Maar dat het een reis werd om nooit te vergeten, dat mag duidelijk zijn. Of het verstandig was om ruim 72 uur wakker te blijven dat valt te betwisten, maar mijn liefde voor de woestijnen…dat zal nooit meer overgaan…..voor het leven verslaafd.

6 thoughts on “Toen dreigde er ook al van alles in Tunesië

  1. Goh, volgens mij waren wij hier ook. In ieder geval bij dat benzinestation…
    Wat vind ik het toch mooi dat wij die zandbak hebben beleefd!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s