Kakmadam.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Ik ging nog maar eens op zoek naar de ware betekenis van dit woord. Nou ja, schelwoord. In het Vlaams vond ik: fiere, betutte, sjieke dame. Schetkont wat dan weer staat voor verwaand en profkont. In de Van Dale vond ik de omschrijving: Vrouw die deftig doet en verder las ik nog: Bekakt en verwaand vrouwspersoon. Bij Wikiwoordenboek vond: Opgedirkte vrouw en bij Encyclo.nl vond ik de Amsterdame uitvoering: vrouw met kapsones.

Bij geen van deze woorden vond ik mijn betekenis van Kakmadam. Of het moet het moment zijn dat ik eens buiten het hek kom en naar de stad moet. Inderdaad, de wimpers flink in de mascara en de lippen in vurig rood gestift. Vooral dat laatste begrijp ik niet helemaal van mezelf want zowel buiten als binnen is de “smoorkap” verplicht. Binnen het hek is dat wel anders. Spijkerbroek, slobbertrui en crocks voor binnenshuis en slobberjas met gevoerde kaplaarzen voor buiten. Mascara en lipstick komen niet eens uit de toilettas. Maar dat brengt mij nog niet bij mijn betekenis van Kakmadam.

Mijn Kakmadam draagt inderdaad gevoerde kaplaarzen. Slippers en crocks kunnen niet, maar daar kom ik straks op terug. En in de winter natuurlijk de slobberjas. Aan beide handen rubber handschoenen. In de linker hand een tasje met twee hengsels waarvan één hengsel aan de hand en het andere hengsel los, zodat een brede opening ontstaat. Aan de rechterhand een zak, over de hand geschoven tot polshoogte. Ogen zijn in dit geval belangrijk. De ogen scanen alles waar de Kakmadam loopt of gaat lopen. Maar soms en dan komen de slippers en crocks in beeld, want slipper hebben alleen maar een zool en crocks hebben niet alleen gaten aan de bovenkant maar ook aan de zijkant, net boven de zool, zijn die ogen net te laat en dan voel je glijden. Dat glijden is met niets te vergelijken. Niet met modder of iets anders glibberig. Dat glijden kan alleen bij hele echte hondendrollen.

Toen Vali voor mij peren ging plukken met een speciaal netje. Het was mooi weer en ze liep haar blote voeten. Ze rekte haar lichaam door haar voet te buigen om zodoende op haar tenen te kunnen staan en om bij de peren te komen die hoog in de boom hingen. Ik hoorde iets sappigs en zag iets tussen haar tenen omhoog komen. Ze hebben twee honden moet u weten. Maar Vali lachtte en riep toe: nee, nee! Dat is het niet, het is een rotte peer. En ze had gelijk. Ik had het kunnen weten want het sappige geluid klonk toch heel anders. Maar goed, de Kakmadam scant dus met de ogen waar eventueel de hondenkak kan liggen. Met de rechterhand, dus met reubberhandschoen en plasticzak, pakt zij de hondenkak en stopt die in het openhangende tasje aan de linkerhand. Wat een vies werkje zult u denken. Welnu met drie honden moet dat wel en met een schepje is misschien frisser (dat denkt u dan) maar daar heb je dan twee handen voor . Eentje voor de schep en eentje om de drollen op de schep te schuiven, omdat die natuurlijk nooit in één keer opgeschept kunnen of willen worden. Eerlijk gezegd heb ik veel mogelijkheden uitgeprobeerd en deze versie met de twee handschoenen en de plastic tasjes, is voor mij de beste manier. Dit moet dan ook elke dag. Want als je zoiets maar één keer in de week doet wordt die hele binnentuin natuurlijk een glijbaan en dan ook nog eentje die verschrikkelijk stinkt. Normaal gesproken heb ik van die stank niet zoveel last, het zijn tenslotte mijn eigen honden. Anders is dat met iemand anders hond.

Dat moet ongeveer twee jaar geleden zijn, want het was in de winter. Het was koud, het regende en de wind waaide alle kanten op. We liepen in het centrum van Pécs met een hond aan de riem. Niet onze hond maar van bekenden die iets bijzonders moesten doen waarbij de hond niet welkom was. De hond kan ook niet tegen alleen thuis zijn, dus wierpen wij ons op als opvangouders. Nu lopen wij nooit met onze honden in de stad en al helemaal niet aan de riem. En ik had mijn nette jas aan en daarin heb ik nooit rubber handschoenen en plastic tasjes, zoals in mijn slobberjas voor in de tuin. Maar gelukkig heb ik wel altijd papieren zakdoekjes bij me. Helaas waren dat er tijdens deze wandeling in het centrum van Pécs maar twee. De hond, echt een schatje hoor, wandelde gezellig naast ons en het koude en natte weer leek haar niet te deren. Tot de riem ineens strak trok. Ik keek om en zag haar die duidelijke kakhouding aannemen. Ik probeerde haar mee te trekken, een beetje meer naar de zijkant waar een opengewerkte putdeksel was. Nu was het die dag helemaal niet druk op straat behalve op dat moment dan. Ineens liepen er heel wat mensen die ook diezelfde kakhouding zagen. We waren dus gezien en moesten daarom zeker wel handelen en alles weghalen. Het gevolg was een inmense drol voor zo’n klein hondje. Of in ieder geval te groot voor twee papieren zakdoekjes. En dan komt het verschil met eigen hond en iemand anders hond. Daar waar ik thuis mijn hand niet voor omdraai, daar moest ik me nu inhouden om niet te gaan kokhalzen. Maar gelukkig was de wind fris en kwam ik snel weer op adem. Met afgewend hoofd bracht ik de volle papieren zakdoekjes naar de dichtsbijzijnde prullenbak. In mijn tas vond gelukkig nog een paar gebruikte zakdoekjes. Niet heel fris, maar altijd nog frisser dan dit met de hand te moeten doen. De hond liep weer dartel mee, alsof er niets gebeurd was. Maar op een afstand keken de mensen wel toe of ik alles weggehaald had. Bij het café, waar honden wel welkom zijn, rende ik eerst naar het toilet om mijn handen grondig te wassen. Niet dat ze heel vies waren maar wel voor de zekerheid.

Mijn taak is niet alleen de honden, maar ook het kippenhok. Ik vraag mij ook ineens af hoe ik ooit aan deze taaktoebedeling ben gekomen. Maar ik kan u verzekeren dat kippen er ook wat van kunnen, van dat kakken. En natuurlijk draai ik mijn hand ook niet om om thuis ook de wc nog schoon te maken.

Kakmadam. Ik kan me nog steeds niet vinden in die bovenste beschrijving. Ik geloof dat ik Van Dale maar eens aan ga schrijven voor een nieuwe omschrijving van dit woord. Wie weet wordt het volgende jaar wel woord van het jaar. Maar dan in de nieuwe betekenis.

Míp.

En nee, dit keer maar geen foto’s erbij.

Achter een kneuzing zit soms toch een heel verhaal.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Ik pakte de warme pan, plaatste die op de onderzetter, roerde de saus nog even door en liet de gootsteen volstromen met koud water om de pan af te laten koelen. Met ovenwanten, omdat de oren nogal heet waren, nam ik de pan op. Die voelde zwaarder dan verwacht. Maar tijdens het moment dat de pan in de gootsteen geplaatst zou worden, werd die ineens lichter. Eerst een doffe klap, daarna het geluid van uiteenvallend gesteente. Ik sloot mijn ogen en zag een sterrenhemel opdoemen. Zelfs de melkweg was in haar geheel zichtbaar. Daarna een schreeuw, een vloek en nog een schreeuw. Hevige pijnscheuten terwijl een heel piepklein sneetje zichtbaar was. Maar niets was minder waar. De antieke tegel, jaren geleden cadeau gekregen van Simon Winterman, die sinds die tijd dienst deed als onderzetter op het aanrecht, was aan de pan blijven plakken en had tijdens de vlucht naar de gootsteen losgelaten. Eerst op mijn grote teen en was daarna op de stenen vloer in stukken uiteen gevallen.

Hans bekeek mijn voet, zag geen bloed maar slechts een kleine beschadiging aan de huid. Ach, even omhoog zitten dan gaat het morgen beter sprak hij hoopvol. Maar de teen werd blauw en liet een behoorlijke zwelling zien. Gekneusd. Nooit geweten dat een gekneusde teen je nachtrust verziekt, maar erger nog, dat je er niet mee kan lopen. Ik besloot om rust te nemen, extreme rust, iets dat in mijn geval toch best uitzonderlijk te noemen is. Languit op de bank, twee kussens onder de voet, de pijn gesust door paracetamol, iets dat in mijn geval ook uitzonderlijk te noemen is, die paracetamol. Na een dag had ik het wel gezien daar op die bank. Maar het werd niet minder. Een vriendin schreef: smeer er cbd-olie op! Nu wil ik best veel toeschrijven aan cbd, maar een gekneusde teen leek mij toch wel wat ver gaan. Maar toch deed ik het en verdomd, de zwelling stopte met zwellen en de donkerblauwe plek verdween. Natuurlijk was de kneuzing niet weg, maar zeker wel beter te verdragen. Schoenen kon ik niet verdragen maar Crocs wel. Die foei lelijke Crocs werd mijn schoeisel voor de komende tijd.


Het lopen ging nog steeds niet goed en daarom besloot ik de krukken van Hans (voor zijn gebroken voet, gebroken middenvoetsbeentje en enkele kneuzingen aan zijn enkels) te gebruiken. In het Hongaars mankó genoemd, nou dat dekt de lading wel. De krukken en ik bleken geen goede combinatie. Mijn motoriek kon de tegengestelde bewegingen niet aan waardoor ik voorwaarts of achterwaarts ter aarde dreigde te storten. Dus zette ik steeds mijn voet bij om dit alles te voorkomen.

Er waren verschillende redenen waarom ik zo snel mogelijk weer op de been wilde zijn. Ten eerste, omdat er nog kilo’s tomaten van het land moesten en daarna gelijk verwerkt moesten worden. Dat was ook wat in de pan zat waar de onderzetter onder bleef hangen. Tomatensaus. Ten tweede lag plotseling mijn fietstraining stil. Het was nu al half juli en voor half augustus moest ik toch echt mijn schema klimmen en dalen in de benen hebben om straks zonder al teveel spierpijn, en natuurlijk zadelpijn, de rit van 200 kilometer van Pécs naar Gyugy tot een goed einde te brengen. En als laatste houd ik niet van mankementen. Met die foei lelijke Crocs was het eigenlijk best te doen. Het lopen dan. En zodoende konden mijn werkzaamheden gewoon doorgaan, zij het met slepend been.

Een piepklein deel van de opbrengst. Maar wat een heerlijkheden.

Ik liet mijn voeten in mijn sportschoenen glijden. Trok de veters stevig aan. Wel gevoelig maar zeker niet pijnlijk. Zette mijn voeten op de pedalen en reed naar het dichtsbijzijnde dorp. Dat is maar drie kilometer. Eenmaal daar bedacht ik dat ik best wel wat verder kon en reed nog eens twaalf kilometer extra. Maar eenmaal aangekomen bij een bankje leek een hele gereedschapskist zich in mijn schoen te bevinden. Hamer, zaag, priem en nijptang waren de namen die zo in mijn hoofd opkwamen. Nu nog vijftien kilometer terug. Normaal gesproken een peulenschil. Nou ja, kiezen op elkaar en gaan met die banaan. Maar onderweg doemde vreselijke dingen in mijn hoofd op. Zou ik moeten opgeven? Zou ik moeten vertellen dat mijn grote teen (hoeveel is dat van het menselijk lichaam?) niet mee wilde werken en dat ik daarom niet zou kunnen deelnemen aan deze fantastische fietsrit? Ik wilde er niet aan denken maar het liet mij niet los.

Ik bleef wel fietsen, maar steeds kleine stukjes. Soms alleen, soms met Hans. In de morgen in al vroegte als de zon zich nog van haar zachte kan liet zien. Wel warm maar zeker niet te heet. Hans’ advies om dit jaar maar gewoon te laten schieten knaagde aan mijn geweten. Onderwijl kwamen er gezellige appjes binnen van Ron en Arwen, die waren in Frankrijk aan het rondtouren. Ze zochten de niet toeristische plekken om te wandelen. Tussen de regels door dacht ik te begrijpen dat ze toch wilden proberen onze kant op te komen. Maar, bedacht ik, als er iets mis gaat met het virus zijn ze vanaf die plek in een dag weer thuis, dat leek me toch veiliger. Tot begin augustus een app binnenkwam. Het geluid op mijn telefoon van de app klinkt als een soort springveer. Een geluid dat Hans nog weleens kan ergeren terwijl ik er juist heel vrolijk van word. Ik keek op mijn scherm en lachte. Of we morgen thuis zijn zei ik. Ze blijven maar een week. Nu werd Hans toch ook ineens vrolijk van die irritante springveer. Want er moest nog even heen en weer geschreven worden. Die tekst ging meer over blijdschap van beide zijden dan andere inhoudelijke boodschappen.

Het was een heerlijkheid om hen weer in de armen te sluiten, al was het maar voor een week. De hitte van augustus gaf niet veel ruimte voor klussen. Maar was dat erg? Welnee. Voor deze week was er ruimte voor andere dingen zoals zwemmen en…… fietsen. Arwen is eigenlijk geen fantiek fietser. Maar ja, ik was ook nooit een fanatiek lange afstandloper en noemde dit ooit de meest walgelijke manier van voortebewegen, tot ik met Arwen mee ging lopen voor haar training voor de vierdaagse van Nijmegen. Toen was ik de pineut, want het bleek helemaal niet walgelijk maar juist heerlijk. Hans’ fiets werd op de maat van Arwen versleuteld. En zodoende fietsten wij gezamelijk de kilometers weg. Heerlijk was het maar de zadelpijn gooide toch roet in het eten. Nog één keer zou ik een moeilijke rit maken met klimmen en dalen en dan zou mijn besluit vast staan. Gaan of niet?

Het was op een zondag. Ik nam de klimmen in een hogere versnelling, zodat de voeten extra hard met de pedalen moesten werken. Ik fietste met de versnellingen steeds hoger waardoor elke heuvel en elk stuk vals plat steeds zwaarder werd met de hitte van de zon op mijn rug. Mijn besluit werd op die dag genomen. Niets of niemand zou mij meer tegenhouden. Zelfs geen gekneusde grote teen. En het was ook die dag dat Hans besloot zich bij mij aan te sluiten.

Niet ver, wel pittig.

Deze gedachten kwamen een paar dagen geleden ineens op in mijn hoofd toen ik tijdens het wandelen met honden over de akkers mijn grote teen ineens weer voelde. .De ondergrond zompig en onregelmatig waardoor mijn laarzen een extra plateauzool kregen. Het weer was guur en nat. De reden dat kneuzingen vaak weer opspelen. En, bedacht ik, achter een kneuzing zit soms toch een heel verhaal.

Míp

Zij mochten natuurlijk wel dicht op elkaar.
maar op de zonneweide bij het zwembad, natuurlijk wel 1,5 meter afstand.

In het land der blinden is éénoog koning.

KortLevens verhalen en andere dierenvertellingen.

Het was aan het begin van dit jaar. Het was koud en de mist bewoog in langdraderige slierten over de akkers. Het was het die dag eigenlijk niet echt licht geweest. Eerst hadden we dan laaghangende bewolking en nu deze opkomende mist. We reden naar Siklós voor een afspraak in dezelfde winkels als we de week tevoren ook al geweest waren. Ondanks het deprimende weer waren we in heel goede stemming. We reden naar een opticien waar vandaag een oogarts aanwezig zou zijn. De afspraak was om drie uur en we waren ruim op tijd.

De afspraak was tot stand gekomen, omdat Hans die week ervoor zijn ogen had laten testen om een nieuwe bril aan te laten meten. Dat was hard nodig, omdat het oude montuur de afgelopen tijd wel vijf keer was gebroken op de breuk die daarvoor al was ontstaan door een liefdevol gevecht met Beau. Beau raakte zo enthouiast dat hij Hans de bril van zijn neus sprong en het montuur daardoor niet meer één geheel was, waardoor je het een bril zou kunnen noemen. Met lijm werd een tijdelijke oplossing gevonden, maar niet die oplossing die we voor ogen hadden. Het montuur had niet meer die stabiliteit als daarvoor en gleed daardoor regelmatig van Hans’ neus, viel op de grond, daarna een hardgrondige vloek en weer daarna verdween hij het huis in om met lijm en klemmen het glas weer vast te zetten. Al twee keer eerder reden wij naar een opticien. Die kregen zijn ogen niet scherp waardoor hij alles dubbel zag. Ook bij de opticien waar we een week eerder waren kwam hetzelfde euvel tevoorschijn. Dubbel, alles dubbel. De oogmeetster kwam er niet uit en maakte een afspraak voor Hans met de oogarts die die dag naar de opticien in Siklós zou komen.

We liepen naar de winkel in een straat met winkels, want een winkelstraat kun je deze straat niet noemen. Eerst een rare opstap op twee verschillende treden, daarna een deur die schuin opengaat. Met een handicapje moet je daar niet komen, geen mogelijkheid dat je er binnenkomt. We stapten binnen en konden onze ogen niet geloven. Vol, tjokvol met mensen. Overal werden stoelen vandaan gehaald om het de klanten zo confortabel mogelijk te maken. Nee, het virus was toen nog niet in het land. Of we wisten het nog niet. De deurbel bleef maar rinkelen. De ramen van de etalge begonnen langzaam dicht te trekken van de vochtige uitademing van zoveel mensen tegelijk. De oogmeetster nam elk nieuw persoon op en druppelde meteen de ogen vol met een goedje, waardoor het zicht meteen vertroebelde. En iedereen die binnen kwam was hier om door de oogarts onderzocht te worden. Oogmeten vraagt veel tijd en zo konden we berekenen, mits iedereen zich aan de tijd hield, wij rond acht uur die avond aan de beurt zouden zijn. Ik keek naar Hans die misschien wel het meeste vocht afscheidde in deze winkel. Om het op zijn zachtst te zeggen gaat zijn voorkeur niet uit naar lang wachten en zeker niet naar zoveel mensen die hem voor moeten gaan. Er ontstond een dillema. Ik ben nachtblind en in het donker met de auto ben ik een attractie op de weg. We besloten even naar buiten te gaan om een sigaret te roken. Maar éénmaal buiten bleek de mist toch sneller op te trekken dan het er eerst uitzag. Maar ook de avond begon al in te vallen. Even opperde ik een hotel te nemen, maar de honden en katten hadden nog niet gegeten. De kippen zouden dan wel vanzelf naar hun nachthok zijn gegaan, maar de deuren daarvan moesten ook gesloten worden om roofzuchtige dieren buiten te houden.

Hoe is het met je zicht? Vroeg ik Hans. Goed zei hij en startte de auto. Het werd rijden op de tast. Potdicht. Maar gelukkig op een weg met heel weinig of geen verkeer. Éénmaal thuis verklaarde hij zijn voorzichtige rijstijl. Zijn zijn ene oog had best redelijk zicht, maar het andere oog was nog steeds troebel. Maar, sprak hij monter, mijn zicht is toch beter dan jouw nachtblinde ogen. Tja, in het land der nachtblinden is éénoog dus ook koning. Heel fijn, maar nog steeds geen goede oogmeting en daarmee nog steeds geen nieuwe bril.

De huisarts verwees naar de oogarts hier in het gezondheidscentrum. Afspraak in maart. In maart bleek de oogarts geen ogen te meten vanwege het virus. De afspraak werd verzet naar mei, maar ook die ging niet door. En de bril bleef maar vallen en de lijmlaag werd steeds dikker waardoor op het brillenglas een soort blinde vlek ontstond. Eindelijk, half augustus kon Hans terecht bij de oogarts. Ze bekeek zijn ogen met een lampje. Ondertussen kwamen de vragen welke ziektes Hans onder de leden had. Ik vond het vreemde vragen maar gaf keurig de antwoorden. Nee,, geen hoge bloeddruk. Nee, geen suikerziekte. Nee, geen verhoogd cholesterol. En toen rolde de aap uit de doktersjasmouw. Zij onderzoekt alleen ogen van mensen die iets mankeren, zodat ze daarvoor aangepaste medicatie kan geven. We konden weer gaan, maar niet voor zij een optie gaf voor een wel héél erg goede opticien in Pécs. Met naam en telefoonnummer reden we weer naar huis, de zonnige warmte tegemoet.

Ik belde. Een zachtaardige stem. Een vrouw. In welke taal? Dat was haar vraag. Hongaars, zei ik. Toen dacht ik aan het oogmeten en welke specifieke vragen daarbij komen. Duits? Was haar vraag. Dat is goed, want Hans’ Duits is beter dan zijn Hongaars. Over twee weken? Komt dat uit? En ja, dat kwam ons zeker uit.

We reden naar Pécs en vonden de opticien in één van de zijstegen die de hoofdstraat rijk is. Niet makkelijk te vinden, maar daarentegen met een handicapje heel makkelijk te bereiken. Eerst handen ontsmetten, buiten. Maar toch niet echt buiten want de steeg is overdekt en dat is bij zowel warm weer als koud en regenachtig weer heel fijn. We stapten de winkel binnen. Fijne sfeer. Aardige vrouwen. Mooie collectie. Daarna kwam een rijzige man tevoorschijn. Aardig, geen ander woord, zo aardig allemaal. En allemaal brildragend. De man bood zijn elleboog aan als teken van welkom. Welke taal? Hans maakte zijn altijd grappige grap. Spaans, Engels, Frans, Italiaans. Frans zei de rijzige man. Als het u uitkomt. En toen ontstond er iets heel bijzonders. Beiden moesten nu in een vreemde taal spreken en beiden deden hun best om helder te spreken en goed te luisteren.

De oogopmeetruimte is naast de winkel en geluiddicht. Professionele aparatuur. Meten en meten en nog eens meten. Eerst het linker oog, toen het rechter oog. Alles perfect. Toen de beide ogen bij elkaar. Dubbel. Ik zie dubbel zei Hans. Aha, sprak de rijzige man. Dit probleem ken ik. Dit heb ik zelf ook. Hiervoor moeten we een andere meting doen en daar moet ik ongeveer een uur uittrekken. Een blik in de agenda gaf een datum van anderhalve week verder.

Op de afgesproken datum was een uur gereserveerd. Maar het liep iets uit. De vrouw van de rijzige man was erbij voor extra controle. Qua taal dan. Zij spreekt goed Engels en Duits en natuurlijk Hongaars. Het meten kon weer beginnen. Maar het duurde en duurde tot het moment “sein meester” werd gegeven. Het dubbel zicht probleem was opgelost. Het nieuwe montuur werd uitgezocht en daar bleek nog een verrassing achteraan te komen. Als Hans nog een montuur zou kopen, dan zou hij de glazen voor die tweede bril gratis krijgen. Altijd welkom zo’n extra bril, gezien de breek ervaringen van afgelopen anderhalf jaar. Alles werd in orde gemaakt, een kleine aanbetaling gedaan en daarna werd het wachten op het verlossende telefoontje dat de brillen klaar waren.

Dat duurde drie en een halve week. Maar dat is niet lang als je al zo lang wacht op de juiste meting en de daarbij passende bril. Hans was helemaal vrolijk want zijn oude bril was in die tussentijd nog dichter geslibt van de lijm door steeds weer nieuwe breuken. Iedereen keek toe. Hans zette de bril op en moest lezen van groot naar klein. Groot ging goed, heel goed zelfs. Kleiner ook nog wel, maar nog kleiner niet. Hij was niet helemaal tevreden, maar en dat wordt wel vaker gezegd, je moet wennen aan een nieuwe bril. Geef het een week. Maar na een dag trof ik een ongelukkige man. Hij kon het gewoon niet goed zien. Rechts wel, alles goed, maar links was helemaal niets. Terug naar de leuke opticien, waar ze helemaal verbaasd maar toch ook heel lief waren. Ogen opnieuw meten. Het euvel werd snel gevonden het rechter glas was niet goed gezet. Geen probleem. Nieuwe glazen worden besteld en we bellen als die er zijn.

Drie weken later waren de nieuwe glazen er. Hans keek, las, wandelde even over straat en zei:. Nog steeds niet goed. Oké gewenning, even een weekje proberen en zien of het dan op orde is. Maar het kwam niet op orde. Weer nieuwe meting. En iedereen nog net zo aardig en zoekend naar wat er fout had kunnen gaan. Nogmaals ogen meten. Bril meten. Het klopte niet. Bril weer inleveren en wachten tot de nieuwe glazen er weer waren. Ondertussen kon hij zijn oude bril niet meer dragen, omdat de ogen nu gewend waren aan de nieuwe bril.

Hoe gaat het met je ogen? Goed zei Hans. Stak de auto achteruit naar het hek van ons huis. Oeps! Zei ik nog. En toen hing het achterwiel van de auto boven de greppel die langs het pad naar ons huis loopt.. Oeps! Zei ik nogmaals, ogen toch niet helemaal goed. Gelukkig hebben we de bus nog om de auto weer vlot te trekken. En zo gebeurde. Hans regelde touwen, ik bleef in de auto voor het benodigde stuurwerk en zo kwam alles toch weer goed. Behalve die bril dan.

Gisteren, 3 december 2020, kan ik u melden dat zich tot mij wendde een heel gelukkige man. Na anderhalf jaar meten en passen is het gelukt! De bril is goed! De oogcorrecties zitten op de goede plaats. Het oude, ongeveer dertig keer gebroken montuur, ligt in de vuilnisbak.

Tja, in het land der blinden is éénoog Koning. Maar liever heb ik toch een man met twee goede glazen. Hij is vrolijker en ziet mij eindelijk weer zitten.

Míp.

Kijk eens hoe blij!

En dat is dan bril twee. Ook die maakt hem héél gelukkig!